1B. Definitie
Een vooronderstelling is iets wat van te voren wordt aangenomen of verondersteld. Een goede definitie is “vereist of noodzakelijk als voorafgaande voorwaarde.” We zouden kunnen zeggen: “vooronderstellen” is iets concluderen voordat het onderzoek is begonnen.
2B. Synoniemen
Aanname, hypothese, onderstelling, premisse, veronderstelling, voorafgaande stelling, vooroordeel, vooropgezette mening, voorbarige conclusie.
3B. Onvermijdelijk
Vooronderstellingen zijn tot op bepaalde hoogte onvermijdelijk. Thomas Whitelaw citeert de Duitse theoloog Biedermann (Christliche Dogmatik) die zegt:
Het is niet waar, maar zand in de ogen wanneer iemand stelt dat werkelijk wetenschappelijke en historische kritiek kan en moet worden beoefend zonder dogmatische vooronderstellingen. In laatste instantie komt men bij het overwegen van zogenaamd zuiver historische gronden altijd op het punt dat men besluit of men een bepaalde zaak in en op zichzelf voor mogelijk houdt…. elke wetenschapper kent in zijn historisch onderzoek bepaalde grenzen, hoe elastisch hij ze ook aanhoudt, van wat historisch mogelijk is; en voor deze wetenschapper zijn dit dogmatische vooronderstellingen. (Whitelaw, OTC, 172)
“Het is absoluut waar”, zegt James Orr, “dat het in geen enkel onderzoek mogelijk is om alle leidende beginselen en vooronderstellingen opzij te zetten, en er is dan ook geen enkele kritiek die dat doet…. Ze mogen echter geen aanleiding geven tot een verdraaiing van de feiten en ook niet aangevoerd worden ter ondersteuning van een vooropgezette gevolgtrekking. De wetenschapper ziet het bovendien als zijn plicht om door middel van zijn onderzoeksvragen en tentatieve hypotheses ‘de natuur voor te zijn’ met zijn vooronderstellingen. Ze moeten echter wel aan de toets … van de experimentele bevestiging worden onderworpen.” (Orr, TPOT, 14)
John Warwick Montgomery zegt over de noodzaak van vooronderstellingen: “Ten eerste: hoewel Kant gelijk had dat elke argumentatie begint met a priori’s, volgt daaruit niet dat de ene vooronderstelling even goed is als de andere.” (Carlson, SS, 388)
Thomas Whitelaw schrijft dat zowel de radicale als de conservatieve critici te veel vooronderstellen:
Zolang de Schriftcritici in een God geloven, hebben ze niet het recht te postuleren dat Hij niet inbreekt in de normale keten van oorzaak en gevolg, of vooraf te veronderstellen dat “wonderen niet gebeuren” of dat “profetie” in de zin van het voorzeggen van toekomstige gebeurtenissen “onmogelijk” is. In de erkenning dat het van weinig gezond verstand getuigt om uit te gaan van de tegenovergestelde vooronderstelling, namelijk dat in Gods voorzienige wereldbestuur en zelfopenbaring wonderen en voorzeggingen moeten voorkomen, heeft men grond om te betogen dat de argumentatie die uitgaat van de vooronderstelling: “Niets bovennatuurlijks buiten de grenzen en beperkingen van het natuurlijke” evenzeer onredelijk is – en feitelijk een petitio principii. Onbevooroordeelde onderzoekers zullen zichzelf beperken tot het nagaan van de realiteit of niet-realiteit van zogenaamde feiten, d.i., tot het natrekken en toetsen van fenomenen met de bedoeling de ware aard ervan vast te stellen, of ze nu natuurlijk zijn of niet. (Whitelaw, OTC, 178)
Oswald Allis ziet vooroordelen aan beide kanten:
Eerlijkheidshalve moeten we wel beseffen dat “zogenaamd conservatieve schrijvers zich soms grote vrijheden veroorloven met de simpele feiten van de Schrift, en conclusies naar voren brengen die even ongefundeerd zijn als de conclusies van de radicale kritiek.
De “wetenschapper” is, algemeen gesproken, even dogmatisch in het verwerpen van het gezag van het Oude Testament als de conservatief is in het aanvaarden en verdedigen ervan. Hij is er evenzeer op gebrand om het Oude Testament in te passen in een wereldbeeld dat het bovennatuurlijke karakter van de verlossing in de Bijbel en de uniciteit van zijn geschiedenis, religie en cultus verwerpt, als de verdediger van de Bijbel hamert op de uniciteit van de oudtestamentische geschiedenis en het bovennatuurlijke waarmee deze doordrongen is…. Een tegenstander beschuldigen van vooroordelen en dogmatisme is een gemakkelijke manier om het probleem te ontlopen. (Allis, TFBM, 339, 338)
4B. Zijn ze terecht?
We moeten ons voortdurend en actief bewust zijn van onze vooronderstellingen. Ik moet me blijven afvragen: “Zijn mijn vooronderstellingen terecht?” De cruciale vraag hierbij is: “Stemmen mijn vooronderstellingen overeen met de werkelijkheid, met wat er werkelijk is? Worden ze ondersteund door voldoende bewijs?”



