Hieronder volgen enkele van de vele bijdragen die de archeologie geleverd heeft op het gebied van de Bijbelkritiek.
1B. Archeologie ondersteunt de “wetenschappelijke bestudering” van de tekst
Archeologische ontdekkingen hebben bijgedragen aan de analyse van manuscripten, het begrip van technische termen, en de ontwikkeling van betrouwbare lexicons.
2B. Archeologie fungeert als rem op het terrein van de kritische studie (zowel radicaal als conservatief)
H. M. Orlinsky bespreekt in Ancient Israël een nieuwe houding tegenover de negatieve resultaten van de radicale kritiek: “Meer en meer maakt het oude gezichtspunt dat de Bijbelse gegevens verdacht en zelfs hoogstwaarschijnlijk onjuist zijn, tenzij ze ondersteund worden door buiten-Bijbelse feiten, plaats voor een nieuw gezichtspunt dat in grote lijnen veronderstelt dat de Bijbelse verslagen eerder juist dan onjuist zijn, tenzij duidelijke bewijzen uit buiten-Bijbelse bronnen het tegendeel aantonen.” (Orlinsky, AI, 6)
De liberale Joodse wetenschapper Nelson Glueck heeft gezegd: “Het is het benadrukken waard dat bij al dit werk geen enkele archeologische ontdekking ooit één enkele, juist begrepen Bijbelse bewering heeft tegengesproken.” (Glueck, zoals geciteerd in Montgomery, CFTM, 6)
L. H. Grollenberg voegt daaraan toe dat archeologisch onderzoek overvloedig licht werpt op de achtergrond van veel Bijbelgedeelten: “De standpunten (van de oudere documentaire critici) gingen uit van een al te snelle toepassing van het evolutionaire patroon en baseerden zich al te exclusief op de tekstkritiek. Dankzij het werk van de archeoloog staat de moderne geleerde in nauwer contact met de feitelijke wereld waarin Israël wortelde. …Tegenwoordig… hebben veel geleerden een nieuw vertrouwen in de bekwame vertellers van de hoofdstukken 12 – 50 van Genesis. … De verhalen van de aartsvaders zijn ongetwijfeld gegrond op historische herinneringen.“ (Grollenberg, AB, 35)
Raymond A. Bowman, docent aan de University of Chicago, merkt op dat de archeologie ook bijdraagt aan het evenwicht tussen Bijbel en kritische hypothese: “Het feit dat het Bijbelse verhaal op de meeste punten bevestigd is, heeft geleid tot een nieuw respect voor de Bijbelse traditie en een behoudender beeld van de Bijbelse geschiedenis.” (Bowman, OTRGW, zoals geciteerd in Willoughby, SBTT, 30)
A. T. Olmstead spreekt in “History, Ancient World, and the Bible” over het ontwikkelingsproces van de documentaire hypothese: “Terwijl de hogere critici van het Oude Testament hun steeds minutieuzere dissecties op de tekst verrichtten, en zich in toenemende mate agnostisch opstelden tegenover de vastgelegde feiten, vochten opwindende ontdekkingen in het Nabije Oosten deze houding heftig aan.” (Olmstead, HAWB, 13)
Albright schrijft in “Archaeology Confronts Biblical Criticism” dat “archeologische en schriftelijke gegevens de historiciteit van talloze gedeelten en beweringen van het Oude Testament bevestigd hebben.” (Albright, ACBC, 181)
De archeologie bewijst niet dat de Bijbel het Woord van God is. Ze kan alleen de fundamentele historiciteit van een verhaal bevestigen. Ze kan laten zien dat een bepaald voorval past in de tijd waaruit het zegt te stammen. “Waarschijnlijk zullen we nooit”, zegt G. E. Wright, “kunnen bewijzen dat Abram werkelijk geleefd heeft … maar wat we wel kunnen bewijzen is dat zijn leven en zijn tijd, zoals die naar voren komen uit de verhalen die over hem verteld worden, perfect passen in het begin van het tweede millennium, maar imperfect in welke latere periode ook.” (Wright, BA, 40)
Millar Burrows van Yale erkende de waarde van de archeologie voor de bevestiging van de authenticiteit van de Schrift:
De Bijbel wordt keer op keer ondersteund door archeologische bewijzen. Over het algemeen lijdt het geen twijfel dat de resultaten van de opgravingen het wetenschappelijke respect voor de Bijbel als een verzameling historische documenten hebben vergroot. Deze bevestiging is zowel algemeen als specifiek. Het feit dat het verslag zo dikwijls te verklaren of te illustreren valt met archeologische gegevens toont aan dat het zó past binnen het kader van de geschiedenis als alleen een authentiek voortbrengsel uit de oudheid dat zou kunnen. Naast deze algemene bevestiging ontdekken we echter ook herhaaldelijk dat het verslag op specifieke punten bevestigd wordt. Namen van plaatsen en personen duiken op in de juiste perioden en op de juiste plekken. (Burrows, HAHSB, 6)
Joseph Free merkt op: “Ik bladerde eens door het boek Genesis en bedacht me dat elk van de vijftig hoofdstukken ofwel verhelderd ofwel bevestigd worden door de een of andere archeologische ontdekking – en hetzelfde geldt voor het merendeel van de rest van de hoofdstukken van de Bijbel, zowel van het Oude als het Nieuwe Testament.” (Free, AB, 340)
3B. De archeologie illustreert en verduidelijkt verschillende Bijbelgedeelten
De archeologie vergroot onze kennis van de economische, culturele, sociale en politieke achtergrond van veel Bijbelgedeelten. Ze draagt bovendien bij aan onze kennis over andere godsdiensten rondom Israël.
De archeoloog S. H. Horn geeft een uitstekend voorbeeld van de manier waarop archeologische vondsten bijdragen aan de studie van de Bijbel:
Het archeologisch onderzoek heeft een interessant licht geworpen op Davids inname van Jeruzalem. De Bijbelverslagen over die inname (II Samuël 5:6-8 en I Kronieken 11:6) zijn zonder hulp van archeologische bewijzen nogal onduidelijk. Neem bijvoorbeeld II Samuël 5:8, waar in de Statenvertaling staat: “Want David zeide ten zelfden dage: Al wie de Jebusieten slaat, en geraakt aan die watergoot, en die kreupelen, en die blinden, die van Davids ziel gehaat zijn, die zal tot een hoofd en tot een overste zijn.” Voeg aan deze opmerking I Kronieken 11:6 toe: “Toen beklom Joab, de zoon van Zeruja, dien het eerst; daarom werd hij tot een hoofd.”
Een aantal jaren geleden zag ik een schilderij van de inname van Jeruzalem waarop de kunstenaar een man uitbeeldde die tegen een metalen afvoerpijp opklom die aan de buitenkant van de stadsmuur bevestigd was. Het was een idiote illustratie omdat stadsmuren in de oudheid geen goten of afvoerpijpen hadden, al zaten er wel lekgaten in de muren om het water af te voeren. De NBG-vertaling, uitgegeven nadat archeologische ontdekkingen de situatie ter plekke hadden verduidelijkt, geeft het gedeelte in kwestie als volgt weer: “David had toen gezegd: ‘Wie de Jebusieten wil verslaan, moet door de watergang binnendringen; van lammen en blinden heeft David een hartgrondige afkeer’. Daarom zegt men: ‘Blinden en lammen mogen niet binnenkomen.‘ David nu had gezegd: Wie de Jebusieten de eerste slag toebrengt, zal aanvoerder en overste worden. En Joab, de zoon van Seruja, klom het eerst naar boven; daarom werd hij aanvoerder.”
Wat was deze watergang waardoor Joab naar boven klom?
In die dagen was Jeruzalem een kleine stad op een uitloper van de heuvels waarop de grote stad eens zou liggen. De stad had strategisch gezien een sterke natuurlijke positie omdat hij aan drie zijden omringd was door ravijnen. Dit was de reden waarom de Jebusieten zo pochend beweerden dat zelfs blinden en lammen hun stad konden verdedigen tegen een sterk aanvalsleger. Maar de waterbevoorrading van de stad was een zwak punt: de bevolking was volkomen afhankelijk van een bron die buiten de stad op de oostelijke zijde van de heuvel lag.
Om water te kunnen putten zonder af te dalen naar de bron, hadden de Jebusieten in de rotsen een ingewikkeld tunnelcomplex uitgehouwen. Eerst hadden ze vanaf de bron in de richting van het midden van de stad een horizontale tunnel gegraven. Na ruim 27 meter waren ze op een natuurlijke grot gestuit. Vanuit die grot hadden ze een 14 meter lange verticale schacht gegraven, en vanaf het einde van die schacht een schuin oplopende tunnel van 41 meter, met een trap die bovenkwam in de stad, 33 meter boven het waterpeil van de bron. De bron werd vervolgens van buitenaf onzichtbaar gemaakt zodat geen enkele vijand hem zou kunnen ontdekken. Om water te halen daalden de Jebusitische vrouwen af door de bovenste tunnel en lieten hun waterzakken neer in de schacht die eindigde in de grot, waaruit ze het water putten dat daar op natuurlijke wijze naartoe stroomde door de horizontale tunnel die de grot met de bron verbond.
Eén vraag bleef echter onbeantwoord. Tijdens de opgravingen van R. A. S. Macalister en J. G. Duncan van zo’n veertig jaar geleden waren een muur en een toren ontdekt die respectievelijk van Jebusitische en Davidische oorsprong waren. Het stuk muur liep langs de rand van de heuvel Ofel, ten westen van de tunnelingang. Zodoende lag de ingang buiten de beschuttende stadsmuur, overgeleverd aan vijandelijke aanvallen en interventies. Waarom was die tunnel niet zo gemaakt dat hij eindigde in de stad? Dit raadsel is nu opgelost door de recente opgravingen van Kathleen Kenyon in Ofel. Zij ontdekte dat Macalister en Duncan de door hen ontdekte muur en toren verkeerd gedateerd hadden; deze objecten stamden uit de Hellenistische periode. Ze ontdekte de echte Jebusitische muur iets lager op de helling, ten oosten van de tunnelingang, waarmee de ingang nu veilig binnen het gebied van de oude stad ligt. (Horn, RIOT, 15-16)
We moeten ons ook realiseren dat de archeologie de “radicale critici” niet volledig weerlegd heeft. Deze critici hebben bepaalde vooronderstellingen die hen verhinderen om een objectief standpunt in te nemen. Burrows heeft helemaal gelijk als hij zegt: “Het is zeker niet waar om te zeggen dat alle theorieën van de critici omvergeworpen zijn door archeologische ontdekkingen. Het is nog veel minder waar om te zeggen dat de grondhouding en de methoden van de moderne wetenschappelijke kritiek weerlegd zijn.” (Burrows, WMTS, 292)
Toch heeft de archeologie aangetoond dat veel overtuigingen van radicale critici ongeldig zijn, en vraagtekens gezet bij wat dikwijls gezien werd als “de stellige resultaten van de Schriftkritiek.”
Albright zegt over het bewijs voor de lange regeringsperiode van Salomo, waaraan door radicale critici getwijfeld werd: “Alweer zien we dat de radicale kritiek van de afgelopen halve eeuw drastische correctie behoeft.” (Albright, NLEHPC, 22)
Sommigen doen de ongegronde bewering dat supranaturalisten en niet-supranaturalisten het nooit eens zullen worden over de resultaten van de archeologie omdat ze zich op een volkomen verschillend plan bevinden. Zij concluderen dat mensen archeologische vondsten interpreteren volgens hun eigen gezichtspunten.
Samengevat kunnen we concluderen dat (1) de archeologie niet bewijst dat de Bijbel waar is; ze bevestigt alleen de historiciteit ervan en verheldert diverse gedeelten. En (2) de archeologie heeft de radicale critici niet volkomen weerlegd, maar wel veel van hun vooronderstellingen in twijfel getrokken.



