Albright zegt dat het “boven alle redelijke twijfel verheven is dat de Hebreeuwse overlevering gelijk had toen ze de aartsvaders rechtstreeks terugvoerde naar de Balikhvallei in noordwest Mesopotamië.” Het bewijs berust op de overeenkomst tussen de Bijbelse gegevens en de archeologische vondsten die de beweging van deze volken uit Mesopotamië traceren. (Albright, BPFAE, 2)
Volgens de Schrift “werd er op de hele aarde één enkele taal gesproken” (Genesis 11:1) voorafgaand aan de torenbouw van Babel. Na de bouw van de toren en de vernietiging ervan verwarde God de taal van de hele aarde (Genesis 11:9). Veel moderne filologen leggen getuigenis af van de waarschijnlijkheid van een dergelijke oorsprong van de talen van de wereld. Alfredo Trombetti zegt dat hij de gemeenschappelijke oorsprong van alle talen kan nagaan en bewijzen. Ook Max Müller getuigt van een gemeenschappelijke oorsprong. En Otto Jespersen gaat zover te zeggen dat de taal rechtstreeks door God aan de eerste mens gegeven werd. (Free, ABH, 47)
In de geslachtslijn van Esau wordt melding gemaakt van de Horieten (Genesis 36:20). Op een gegeven moment ging men ervan uit dat dit grotbewoners waren, vanwege de overeenkomst tussen Horiet en het Hebreeuwse woord voor grot. Nu hebben vondsten echter aangetoond dat dit een belangrijk volk van strijders was dat in de tijd van de aartsvaders in het Nabije Oosten leefde. (Free, ABH, 72)
Tijdens de opgravingen van Jericho (1930-1936) vond Garstang iets wat zo schokkend was dat hij een door hemzelf en twee andere teamleden ondertekende verklaring van de ontdekking opstelde. Verwijzend naar die vondsten zegt Garstang: “Wat betreft het belangrijkste feit rest dus geen enkele twijfel meer: de muren vielen compleet naar buiten, zodat de aanvallers op en over de ruïnes de stad in konden klimmen. Waarom was dat zo vreemd? Omdat stadswallen niet naar buiten vallen; ze vallen naar binnen. En toch lezen we in Jozua 6:20: ’En de muur stortte ineen, (wat in de Engelse Revised Standard Version is vertaald met: ‘and the wall fell down flat’) en het volk klom de stad binnen, ieder recht voor zich uit, en zij namen de stad in.’ De muur viel plat naar buiten.” (Garstang, FBHJJ, 146)
Ook de stamboom van Abraham blijkt absoluut historisch te zijn. De vraag is echter wel of de namen nu staan voor individuele personen of voor oude steden. Eén ding is zeker wat Abraham betreft: hij was een persoon en hij heeft geleefd. Zoals Burrows schrijft: “Alles wijst er op dat we hier met een historische persoon van doen hebben. Zoals hierboven opgemerkt, wordt hij in geen enkele bekende archeologische bron vermeld, maar precies in de periode waarin Abraham leefde duikt zijn naam wel als persoonsnaam op in Babylonië.” (Burrows, WMTS, 258, 259)
Eerder was gepoogd om het tijdperk van Abraham op te schuiven naar de vijftiende of veertiende eeuw v. Chr., veel te laat. Maar Albright wijst erop dat we “beschikken over heel veel bewijsmateriaal in de vorm van persoons- en plaatsnamen, dat bijna zonder uitzondering tegen een dergelijk ongefundeerd in elkaar schuiven van de overgeleverde tijdbalk pleit.” (Garstang, FBHJJ, 9)
Hoewel we misschien geen specifieke archeologische bewijzen voor de verhalen van de aartsvaders zullen vinden, passen de sociale gebruiken in de verhalen bij de periode en de regio waarin de aartsvaders leefden. (Burrows, WMTS, 278-279)
Veel van dit bewijsmateriaal is afkomstig van opgravingen in Nuzi en Mari. Werk in Augured heeft licht geworpen op de Hebreeuwse poëzie en de Hebreeuwse taal. Mozaïsche wetgeving werd teruggevonden in Hethitische, Assyrische, Sumerische en Akkadische wetten. Door deze ontdekkingen zien we nu het leven van de Hebreeën in relatie tot de hen omringende wereld. Albright zegt: “Dit is een bijdrage waarbij al het andere in het niets verdwijnt.” (Albright, ATAAE, zoals geciteerd in Rowley, OTMS, 28)
De tot dusverre gedane ontdekkingen hebben geleerden, ongeacht hun godsdienstige overtuiging, ertoe gebracht om de historische aard van de verhalen over de aartsvaders te bevestigen. (Wiseman, ACOT, zoals geciteerd in Henry, RB, 305)
Julius Wellhausen, een bekende Bijbelcriticus uit de negentiende eeuw, geloofde dat het verslag over het van koperen spiegels gemaakte wasbekken oorspronkelijk niet was opgenomen in de ceremoniële wetten. Daarmee situeert hij de beschrijving van de tabernakel veel te laat voor de tijd van Mozes. Er is echter geen enkele geldige reden voor zo’n late datering (500 v. Chr.). Er is specifiek archeologisch bewijs voor het bestaan van dergelijke bronzen spiegels in het zogenaamde Nieuwe Rijk in de geschiedenis van Egypte (1500-1400 v. Chr.) Dit is dezelfde periode als die van Mozes en de uittocht (1500-1400 v. Chr.). (Free, ABH, 108)
Henry M. Morris merkt op: “Natuurlijk zijn er nog steeds problemen bij de complete harmonisatie van het archeologische materiaal met de Bijbelse gegevens, maar die zijn geen van alle zo ernstig dat ze niet de belofte van een op handen zijnde oplossing door nader onderzoek in zich dragen. Gelet op de grote massa aan bewijzen die de Bijbelse geschiedschrijving over deze tijdperken bevestigen, is het ongetwijfeld uiterst veelbetekenend dat er heden ten dage geen enkele onbetwistbare archeologische vondst is gedaan die bewijst dat de Bijbel het op enig punt mis heeft.” (Morris, BMS, 95)
Geisler concludeert met de opmerking: “Voor iedere periode van de oudtestamentische geschiedenis blijkt er afdoende archeologisch bewijs te zijn dat de Schrift de waarheid spreekt. In veel gevallen vertoont de Schrift kennis uit de eerste hand van de tijden en gewoonten die erin beschreven worden. Terwijl velen twijfelden aan de nauwkeurigheid van de Bijbel, hebben de tijd en het voortschrijdend onderzoek stelselmatig aangetoond dat het Woord van God beter geïnformeerd is dan zijn critici. Het is zelfs zo dat, terwijl duizenden vondsten uit de antieke wereld in grote lijnen en vaak in detail het Bijbelse beeld ondersteunen, geen enkele onaanvechtbare vondst ooit de Bijbel heeft tegengesproken.” (Geisler, BECA, 52)
Henry Morris voegt daaraan toe: “Deze hoge ouderdom van de Bijbelse verhalen, vergeleken met die uit andere geschriften, bracht, samen met de evolutiegedachte van de 19e eeuw, vele geleerden tot de overtuiging dat ook de Bijbelverhalen voor het grootste deel legendarisch waren. Zolang men voor de waardebepaling van oude historische verhalen slechts beschikte over kopieën van oude handschriften moeten dergelijke leerstellingen overtuigend geweest zijn. Nu echter kan de essentiële historiciteit van de Bijbel, in elk geval vanaf de tijd van Abraham, niet langer verworpen worden, vanwege de opmerkelijke ontdekkingen van de archeologie.” (Morris, MIP, 300)



