Optimale objectiviteit in het dateren van een geschreven document wordt bereikt door het natrekken van intern bewijs. Aanwijzingen zijn te vinden in de vermelding van actuele gebeurtenissen, geografische of klimaatomstandigheden, veel voorkomende flora en fauna, en ooggetuigen. Met behulp van deze aanwijzingen kan een redelijk accurate inschatting gemaakt worden van de plaats en de tijd van oorsprong van het document. (Archer, SOT, 101)

Er is heel wat intern bewijs dat de Pentateuch, in vorm en inhoud, veel ouder is dan de negende- tot vijfde-eeuwse datering die de critici hem geven. Hieronder volgen wat voorbeelden van het interne bewijs voor een oude Pentateuch:
1C. Het woestijndecor van Exodus-Numeri
Exodus, Leviticus en Numeri zijn heel duidelijk bedoeld voor een volk dat door de woestijn zwerft, en niet voor een volk van boeren dat al eeuwen in zijn beloofde land woont. Anders zouden de steeds weerkerende beschrijvingen van de draagbare tabernakel zinloos zijn. De zorgvuldige instructies voor de legering (Numeri 2:1-31) en het opbreken (Numeri 10:14-20) zouden irrelevant zijn voor een gevestigde natie, maar waren uitermate praktisch voor het woestijnleven. Er is een overvloed aan verwijzingen naar de woestijn, onder andere in de hygiënische voorschriften (Deuteronomium 23:12,13) en bij het wegsturen van de zondebok (Leviticus 16:10). (Archer, SOT, 106-108)
2C. Egyptische invloed
Veel van het materiaal in Genesis en Exodus heeft een duidelijk Egyptische achtergrond. Dat zouden we ook verwachten wanneer het kort na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte was opgetekend door Mozes (opgevoed aan het Egyptische hof). Het zou echter nauwelijks verklaarbaar zijn wanneer het, zoals de aanhangers van de documentaire hypothese beweren, meer dan vierhonderd jaar na het vertrek van de Hebreeën uit Egypte was geschreven. [Zie Abraham Yehudas The Language of the Pentateuch in Its Relationship to Egyptian (1933), een ambitieuze bespreking van de Egyptische achtergrond van de verhalen van Mozes en Jozef in Egypte.]
Deze Egyptische invloed blijkt op ten minste drie terreinen:
1D. Geografie
De schrijver van deze verhalen (Genesis 37 – Numeri 10) is bekend met de geografie van Egypte en Sinaï. Veel van de door de schrijver aangeduide plaatsen zijn teruggevonden door de moderne archeologie. Daarentegen weet hij weinig van de geografie van Palestina, behalve uit de patriarchale overlevering. Zo trekt de schrijver, wanneer hij een beeld van het land Kanaän wil schetsen, een vergelijking met Egypte (v. 10), terwijl hij ergens anders naar Hebron verwijst met de pre-exilische naam Kirjat-Arba (Genesis 23:2) Als hij het ontstaan van Hebron toelicht in Numeri 13:22, verwijst hij naar de bouw van Soan in Egypte. De verwijzing naar “een stad van Sichem, in het land Kanaän” (Genesis 33:18) is onwaarschijnlijk voor een schrijver wiens volk al eeuwen in Kanaän leefde. De schrijver van de Pentateuch beschouwt Palestina over het algemeen als een nieuw land dat de Israëlieten in de toekomst zullen binnentrekken. (Archer, SOT, 106)
De schrijver van Exodus had een diepgaande kennis van het Egyptische grondgebied. Hij kende de Egyptische papyrus (Exodus 2:3), het karakter van de Nijloever, en was welbekend met de zanderige, woestijnachtige omgeving (Exodus 2:12) Hij wist van plaatsen als Raämses, Sukkot (Exodus 12:37), Etam (Exodus 13:20), en Pi-Hachirot (Exodus 14:2). De vermelding in Exodus 14:3 (NBG): “de woestijn heeft hun de weg versperd” geeft blijk van een gedegen kennis van de geografie van Egypte. Feitelijk is hoofdstuk 14 niet te begrijpen zonder kennis van de Egyptische geografie. (Raven, OTI, 109)
2D. Taalgebruik
Archer merkt op:
Hij [de schrijver van Genesis en Exodus] gebruikt een groter percentage Egyptische woorden dan elders in het Oude Testament. Bijvoorbeeld: (a) de uitdrukking abrek (Genesis 41:43 – vertaald met “eerbied”) is waarschijnlijk het Egyptische ‘b rk (“O hart, buig u neer!”), hoewel hiervoor vele andere verklaringen gegeven zijn; (b) gewichten en maten, zoals zeret (“een span”) van drt- “hand”; efa (“tiende van een omer”) van ‘pt;hin (ongeveer 5½ liter) van hnw; (c) gome’ (“papyrus”) van kmyt; (d) qemah (“meel”) van kmhw (een broodsoort); (e) ses (“fijn linnen”) van ss (“linnen”); (f) yeor (“Nijl, rivier”) van ‘trw (“rivier”) (wat eioor wordt in het Koptisch). Archer, SOT, 102-103)
Deze schrijver maakt ook gebruik van talloze specifiek Egyptische namen, waaronder Potifera (Genesis 41:45; 46:20), en de verkorte vorm
Potifar (Genesis 37:36; 39:1), wat “gegeven door Ra (de zonnegod)” betekent.
Safenat–Paneach (Genesis 41:45), zoals de farao Jozef noemde. Volgens de LVV betekent dit: “redder van de wereld” – een passende titel voor degene die Egypte redde van de honger.
Asnat (Genesis 41:45, 50), Jozefs vrouw.
On (Genesis 41:45, 50; 46:20 NBG), de oude Egyptische naam voor Heliopolis
Raämses (Genesis 47:11; Exodus 1:11; 12:37; Numeri 33:3, 5).
Pitom (Exodus 1:11), waarschijnlijk het Egyptische Pi-Tum dat voor het eerst vermeld wordt in de monumenten van de negentiende dynastie, precies zoals Exodus het hier weergeeft. (Raven, OTI, 107-108)
3D. Namen van Egyptische koningen
Enkele Schriftkritisch ingestelde Egyptologen hebben beargumenteerd dat een vroege schrijver ongetwijfeld de namen van de toenmalige Egyptische koningen vermeld zou hebben. In feite ondersteunt de afwezigheid van dergelijke namen in de Hebreeuwse literatuur tot aan Salomo’s tijd deze vroege datering juist. In de officiële taal van het Egyptische Nieuwe Rijk was het gebruikelijk om de koning eenvoudigweg met “Farao” aan te duiden, zonder zijn naam met de titel te verbinden. In de tijd dat de Israëlieten in Egypte waren, pasten ze zich aan dit gebruik aan. (Archer, SOT, 105)
Het is het opmerken waard dat de ouderdom van het Oude Testament wordt ondersteund door de vermelding dat koningen als teken van gezag een zegelring en een gouden ketting droegen (Genesis 41:42; Esther 3:10, 12; 8:2, 8, 10; Daniël 5:29). Dit gebruik was in Israël onbekend, maar bestond wel in het oude Egypte, Perzië en Babylon.
3C. Anarchismen
Bepaalde in de Pentateuch gebruikte woorden en woordgroepen zijn uitgestorven na het Mozaïsche tijdperk.
Over hoofdstuk 15 van Genesis schrijft Albright:
Het verhaal van het verbond tussen Jahwe en Abraham … staat vol met anarchismen; de oudheid ervan is bevestigd door E. A. Speiser. We hebben hier een voorbeeld van de centrale positie die in de vroege Hebreeuwse godsdienst werd ingenomen door de speciale god van een man met wie hij een plechtige overeenkomst sloot, waarvan de voorwaarden inhielden dat deze god hem en zijn gezin zou beschermen in ruil voor een eed van toewijding. Dit is een primitieve vorm van het suzereiniteitsverdrag….In de Late Bronstijd duikt het woord beritu, in het Hebreeuws berit, in Syrië en Egypte (waar het een Semitisch leenwoord was) op in verband met contractarbeid en het contractuele inhuren van mensen van wie de namen in een bepaald document stonden. (Albright, BPFAE, 8)
Archer geeft nog meer voorbeelden van anarchismen: “Het woord voor het persoonlijke voornaamwoord ‘zij’ wordt geregeld gespeld als HW’ in plaats van het gebruikelijke HY’. We komen ook N’R tegen in plaats van de vrouwelijke vorm N’RH voor ‘jong meisje’. Af en toe (in Genesis tweemaal) verschijnt HLZH voor het aanwijzende voornaamwoord ‘dat’ in plaats van hallaz, de vorm die in gebruik is in Rechters, Samuël en daarna. Het woord ‘lachen’ wordt SHQ (in Genesis en Exodus) in plaats van tSHQ; ‘lam’ is KtSB in plaats van het latere KBtS (kebes).” (Archer, SOT, 107)
Onder deze bewijzen valt ook het feit dat er plaatsen in het Oude Testament zijn waar triviale details vermeld worden die een latere schrijver niet snel zou toevoegen. Zo wordt er een korte toelichting gegeven wanneer Jozef en de Egyptenaren aan tafel apart gezet worden van Jozefs broers: “Egyptenaren mogen niet samen met Hebreeën de maaltijd gebruiken; zoiets vinden de Egyptenaren afschuwelijk” (Genesis 43:32). Zou een latere schrijver dit hebben opgenomen? (Raven, OTI, 109)
Op basis van bovenstaande aanwijzingen komt Archer tot de uiteindelijke evaluatie: “De interne bewijzen van Pentateuchtekst brengen ons tot de conclusie dat de schrijver een oorspronkelijke inwoner van Egypte (en niet van Palestina) geweest moet zijn, een ooggetuige van de uittocht en de omzwervingen door de woestijn, die een grote mate van opleiding, geleerdheid, en literaire vaardigheden bezat.“ (Archer, SOT 101)



