De eerste vijf boeken van het Oude Testament worden dikwijls aangeduid als “de Wet”; “de Thora”, wat het Hebreeuwse woord voor wet is; of “de Pentateuch”. Deze boeken – Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, en Deuteronomium, worden traditioneel opgevat als de woorden van Mozes.
De boeken Exodus (32:16), Leviticus (1:1), Numeri (1:1) en Deuteronomium (31:24-26), maken stuk voor stuk expliciet aanspraak op inspiratie. Alleen Genesis doet dat niet rechtstreeks. Toch werd ook Genesis gezien als onderdeel van het “Boek van Mozes” (zie 2Kronieken 35:12; Nehemia 13:1), en daarmee heeft dit boek hetzelfde goddelijke gezag. Wat geldt voor één boek, geldt voor allemaal. Met andere woorden: een aanspraak op inspiratie van één boek uit deze canonieke verzameling is een aanspraak van allemaal, omdat ze allemaal onder één noemer verenigd werden: het Boek, of de Wet, van Mozes.
In heel de verdere tijd van het Oude Testament werd de Wet van Mozes het volk voorgehouden als de Wet van God; Mozes’ stem werd opgevat als Gods stem. Jozua begon zijn bediening als Mozes’ opvolger met de uitspraak: “Leg dat wetboek geen moment ter zijde … opdat je je aan alles houdt wat erin geschreven staat” (Jozua 1:8). God beproefde het volk Israël om te zien of ze “de geboden zouden gehoorzamen die hij hun voorouders bij monde van Mozes had opgelegd” (Rechters 3:4). “‘Ja,’ vulde Samuël aan, ‘[het is] de HEER die Mozes en Aäron heeft aangesteld en uw voorouders uit Egypte heeft geleid. … Maar later vergaten uw voorouders de HEER, hun God’” (1Samuël 12:6, 9). In de dagen van Josia “vond de priester Chilkia een boekrol met de tekst van de wet van de HEER die door Mozes was overgeleverd” (2Kronieken 23:14). Tijdens de ballingschap erkende Daniël Mozes’ Wet als Gods Wet, toen hij zei: “De met een eed bekrachtigde vervloekingen die opgetekend staan in de wet van Mozes, de dienaar van God, zijn over ons uitgestort, want wij hebben tegen U gezondigd. God heeft groot onheil over ons gebracht en het dreigement uitgevoerd dat Hij tegen ons en onze leiders had geuit” (Daniël 9:11-12). In de tijd na de ballingschap kwam de opleving onder Nehemia als gevolg van de gehoorzaamheid aan de wet van Mozes (Zie Ezra 6:18; Nehemia 13:1). (Geisler, GIB, 71)



