De grote meerderheid van de boeken van het Oude Testament (zo’n achttien van de vierentwintig) maakt er expliciet aanspraak op Gods woord voor de mens te zijn. Maar er zijn er ook die zich niet zo duidelijk uitspreken over hun herkomst. Daarvoor bestaan verschillende redenen:
1D. Ze maken allemaal deel uit van een vastgestelde groep
Elk boek wordt beschouwd als deel van een groep – ofwel de Wet, of de Profeten – waarin een duidelijke en onbetwistbare aanspraak gemaakt wordt op Goddelijke inspiratie. Deze aanspraak omvat alle boeken in die groep. Zodoende hoeven de individuele boeken dit niet allemaal te doen: de aanspraak is al gemaakt door de groep als geheel, en wordt bevestigd door het feit dat latere Bijbelboeken verwijzen naar het gezag van die groep als geheel.
2D. De aard van de historische en profetische boeken
Alleen de historische en de dichterlijke boeken bevatten geen rechtstreekse uitspraken over hun goddelijke oorsprong. Alle didactische boeken zeggen: “Zo spreekt de HEER”. De reden waarom de historische en dichterlijke boeken dat niet doen is dat zij weergeven “wat God liet zien” (de geschiedenis) in plaats van “wat God zei” (de wet en de profeten). Desondanks is het expliciet didactische “Zo spreekt de HEER” zelfs in de historische en profetische boeken aanwezig. Geschiedenis is wat God zei in de concrete gebeurtenissen van het leven van het volk. Poëzie is wat God zei in het hart en de aspiratie van individuen binnen het volk. Beide zijn evenzeer wat God zei als de expliciete woorden die Hij sprak door middel van de Wet en de andere didactische geschriften.
3D. De schrijvers van de boeken waren door God bevoegd
Salomo, die volgens de Joodse overlevering het Hooglied, Spreuken, en Prediker schreef, had wijsheid van God ontvangen (1Koningen 4:29). Bovendien voldeed hij aan de vereisten voor een profeet, die we vinden in Numeri 12:6: iemand tot wie God sprak in dromen en visioenen (zie 1Koningen 11:9). Aan David wordt bijna de helft van de Psalmen toegeschreven. En hoewel de Psalmen zelf geen rechtstreekse aanspraak maken op goddelijke inspiratie, lezen we in Davids getuigenis in 2Samuël 23:2: “De geest van de HEER sprak in mij, zijn woorden zijn op mijn tong.” Jeremia, volgens de overlevering de schrijver van 1 en 2Koningen, bezit duidelijk profetische geloofsbrieven (zie Jeremia 1:4, 17). Kronieken en Ezra-Nehemia worden toegeschreven aan de priester Ezra, die met volledig profetisch gezag werkzaam was: hij legde de wet van Mozes uit en voerde op basis daarvan burgerlijke en godsdienstige hervormingen door (zie Ezra 7:10, 13). Dus ofwel de oudtestamentische boeken getuigen voor zichzelf, of ze worden, bijna zonder uitzondering, door degenen die als hun schrijvers beschouwd worden, gewaarmerkt als het gezaghebbende woord van God. (Geisler, GIB, 69-70)



