“De Bijbel leert geen onfeilbaarheid” is de bewering van hen die zijn onfeilbaarheid betwisten. Ze zeggen dat de Bijbel niet zijn eigen onfeilbaarheid leert, maar alleen zijn inspiratie.
Deze bewering is net zo onjuist als de bewering dat de Bijbel de Drie-eenheid niet leert. Het is waar dat de Bijbel nergens met zoveel woorden zegt: “Er zijn drie personen in één God: Vader, Zoon, en heilige Geest.” Maar ondanks dat wordt de leerstelling van de Drie-eenheid duidelijk en nadrukkelijk overeind gehouden in de Schrift. Hoe komen we tot die conclusie? Door een logische afleiding van twee principes die onmiskenbaar in de Schrift onderwezen worden: (1) er zijn drie personen die God genoemd worden: Vader, Zoon, en heilige Geest; en (2) er is maar één God. Simpele logica vereist dat uit deze twee waarheden slechts één conclusie volgt, een conclusie die geen enkele orthodoxe christen nalaat te trekken: er zijn drie personen in de ene God.
Welnu, op grond van dezelfde logica leert de Bijbel ook zijn eigen onfeilbaarheid. Net als met de leer van de Drie-eenheid zegt de Schrift nergens expliciet: “De Bijbel is onfeilbaar in alles wat hij zegt.” Toch leert de Bijbel duidelijk en nadrukkelijk twee waarheden waaruit deze conclusie onvermijdelijk is: Ten eerste is de Schrift woordelijk de openbaring van God. Paulus schreef: “Elke schrifttekst is door God geïnspireerd” (2Timoteüs 3:16). Keer op keer kregen de Bijbelse profeten de opdracht om Gods eigen “woorden” op te schrijven (Exodus 24:4 NBG; Openbaring 22:19 NBG). David beleed op zijn sterfbed: “De geest van de HEER sprak in mij, zijn woorden zijn op mijn tong.” (2Samuël 23:2). Jeremia kreeg te horen: “Doe … geen woord af” van Gods profetie (Jeremia 26:2). De apostel Paulus maakte er aanspraak op te onderwijzen “met woorden, die … door de Geest geleerd zijn“ (1Korintiërs 2:13).
Ten tweede leert de Bijbel nadrukkelijk dat alles wat God zegt waar en volkomen vrij van fouten of dwalingen is. Jezus zei tegen de Vader: “Uw woord is de waarheid” (Johannes 17:17). De Psalmdichter verklaarde: “Heel uw woord is de waarheid” (Psalm 119:160 NBG). De schrijver van de Hebreeënbrief stelde nadrukkelijk dat “het onmogelijk is, dat God liegen zou” (Hebreeën 6:18 NBG). Paulus zei tegen Titus “God, die niet liegt” (Titus 1:2). Spreuken verzekert ons: “Elk woord van God is getoetst” (Spreuken 30:5). Kortom, juist de waarachtigheid van Gods karakter vereist dat Hij, wanneer Hij spreekt, de waarheid spreekt. Tegelijkertijd is de Schrift Gods eigen uiting. Uit deze twee duidelijk onderwezen waarheden over de Schrift volgt slechts één logische conclusie: Alles wat de Bijbel leert is de onfeilbare waarheid van God.
Vandaar dat onfeilbaarheid een logisch gevolg van inspiratie is. Als de Bijbel Gods Woord is, dan moet hij foutloos zijn. Christenen vatten de leer van de onfeilbaarheid wel eens zo samen: “Wat de Bijbel zegt, zegt God.” En inderdaad worden de woorden “God” en “Schrift” in dit opzicht dikwijls inwisselbaar gebruikt. Zo zegt Hebreeën 3:7 “De heilige Geest zegt” met een verwijzing naar de oudtestamentische Schrift (Psalm 95:7). Dit patroon herhaalt zich elders (zie Handelingen 2:17; Galaten 3:8; Hebreeën 9:8).
De Bijbel beweert inderdaad onfeilbaar te zijn, net zo zeker als hij leert dat God een Drie-eenheid is.



