Om uit te vinden hoe betrouwbaar het Oude Testament is, moeten we onder andere kijken naar de tekstoverdracht (de afgelegde weg van de oorspronkelijke handschriften naar de huidige gedrukte exemplaren). Net als van andere antieke geschriften bezitten we geen originele documenten van het Oude Testament. Maar vergeleken met andere antieke literatuur blijkt het werk van de Hebreeuwse kopiisten verbluffend nauwkeurig.
Gleason Archer stelt:
Men moet goed begrijpen dat het Oude Testament in dit opzicht (de tekstoverdracht) verschilt van alle andere ons bekende voorchristelijke literaire werken. Voor de duidelijkheid, we bezitten lang niet zoveel verschillende handschriften van heidense werken, afkomstig uit zulke uiteenlopende tijdperken, als van het Oude Testament. Maar in de geschriften waarvan we wel meerdere exemplaren bezitten, zoals het Egyptische Dodenboek, zijn de afwijkingen veel talrijker en veel ingrijpender. Zo zijn de verschillen tussen hoofdstuk 15 in de papyrus van Ani (geschreven in de achttiende dynastie) en de Turijn-papyrus (uit de zesentwintigste dynastie of later) opvallend groot. Hele zinsdelen zijn ingevoegd of weggelaten, en de betekenis van overeenkomstige tekstkolommen is in sommige gevallen volkomen afwijkend. Afgezien van een goddelijke supervisie over de overdracht van de Hebreeuwse tekst is er geen specifieke reden waarom datzelfde fenomeen van afwijking en verandering niet zou voorkomen bij de Hebreeuwse handschriften, die met tussenpozen van eeuwen vervaardigd werden. Een voorbeeld: hoewel de twee kopieën van Jesaja die in 1947 nabij de Dode Zee ontdekt werden in Qumrangrot 1 duizend jaar ouder waren dan het oudste op dat moment bekende handschrift (980 n. Chr.) bleken ze in meer dan 95 procent van de tekst woord voor woord overeen te komen met onze standaard Hebreeuwse Bijbel. De 5 procent variatie bestaat hoofdzakelijk uit klaarblijkelijke overschrijffouten en spellingvariaties, zonder de minste invloed op de boodschap van de openbaring. (Archer, SOT, 23-25)
Robert Dick Wilson legt op briljante wijze de verbinding tussen de echtheid en betrouwbaarheid van de Schrift en de omringende culturen van het oudtestamentische Israël:
De Hebreeuwse Schrift noemt minstens 26 buitenlandse koningen van wie de namen gevonden zijn in documenten uit de tijd van deze koningen zelf. De namen van de meeste van hen blijken op hun eigen monumenten, of in documenten uit hun regeringsperiode, op dezelfde manier gespeld te zijn als in de geschriften van het Oude Testament. De afwijkende spelling van andere namen volgt de wetmatigheden van de fonetiek zoals deze functioneerde in de tijd dat de Hebreeuwse documenten geschreven werden. Slechts in het geval van twee of drie namen kunnen bepaalde letters, of spellingwijzen, nog niet met zekerheid verklaard worden; maar zelfs in deze paar gevallen is de Hebreeuwse spellingwijze niet aantoonbaar onjuist. Andersom blijken de namen van veel koningen van Juda en Israël in Assyrische documenten uit die tijd dezelfde spelling te hebben als in de huidige Hebreeuwse tekst.
In 144 gevallen van transliteratie vanuit het Egyptisch, Assyrisch, Babylonisch, en Moabitisch naar het Hebreeuws en in 40 gevallen in tegengestelde richting, ofwel in 184 gevallen, blijken de eigennamen in de Hebreeuwse Bijbel met de grootste nauwkeurigheid te zijn overgedragen, en dat over een periode van 2300 tot 3900 jaar. Dat ze met een dergelijke nauwe overeenkomst volgens correcte filologische principes zijn overgeschreven is een geweldig bewijs van de grondige toewijding en kunde van de oorspronkelijke schrijvers; bovendien, dat de Hebreeuwse tekst door zijn kopiisten door zoveel eeuwen heen is overgedragen is een ongeëvenaard fenomeen in de literatuurgeschiedenis. (Wilson, SIOT, 64, 71)
Professor Wilson vervolgt:
Want noch de aanvallers, noch de verdedigers van de Bijbeltekst mogen ook maar één ogenblik veronderstellen dat deze nauwkeurige weergave of deze correcte overdracht van eigennamen een eenvoudige of vanzelfsprekende zaak is. Omdat niet al mijn lezers ervaring zullen hebben met de bestudering van dergelijke kwesties vestig ik de aandacht op de weergave van de namen van de Egyptische koningen, door Manetho en op de Egyptische monumenten. Manetho was een hogepriester van de Egyptische afgodstempels 6 in de tijd van Ptolemeüs Filadelfus, d.i., rond 280 v. Chr. Hij schreef een boek over de Egyptische dynastieën, waarvan gedeelten zijn overgeleverd in de werken van Josefus, Eusebius, en anderen. Van de koningen van de 31 dynastieën geeft hij 40 namen uit 22 dynastieën. Hiervan staan er 49 op de monumenten in een vorm waarin de consonanten van Manetho’s spelling met wat goede wil allemaal te herkennen zijn, en nog 28 die gedeeltelijk herkenbaar zijn. Van de andere 63 is geen enkele lettergreep herkenbaar. Als het waar is dat Manetho deze lijsten zelf uit de oorspronkelijke boeken heeft overgenomen – en het feit dat hij 49 namen in grote lijnen correct weergeeft, ondersteunt die veronderstelling – moeten de honderden variaties en fouten in de 50 of meer onherkenbare namen ofwel het gevolg zijn van gebrekkigheden in zijn kopieerwerk of van de fouten van degenen die zijn tekst hebben doorgegeven. (Wilson, SIOT, 71-72)
Wilson voegt toe dat zo’n veertig van deze koningen leefden tussen 2000 en 400 v. Chr. Ze verschijnen stuk voor stuk in chronologische volgorde: “Wat betreft de koningen van dit land en wat betreft de koningen van andere landen … valt er onmogelijk een sterker bewijs te bedenken voor de grote nauwkeurigheid van de oudtestamentische verslaglegging, dan deze verzameling koningen.”
In een voetnoot berekent hij hoe waarschijnlijk het is dat deze nauwkeurigheid een kwestie van toeval is: “Mathematisch gezien is er een kans van één op de 750.000.000.000.000.000.000 dat deze nauwkeurigheid zuiver toevallig is.” (Wilson, SIOT, 74-75)
Vanwege deze bewijzen concludeert Wilson:
Het bewijs dat de kopieën van de oorspronkelijke documenten gedurende 2000 jaar in grote lijnen correct zijn overgedragen valt niet te ontkennen. Dat de kopieën die er 2000 jaar geleden waren op een vergelijkbare wijze zijn overgeleverd van de originelen is niet slechts mogelijk, maar zoals aangetoond, zelfs waarschijnlijk, als we kijken naar de overgeleverde Babylonische documenten waarvan we zowel de originelen bezitten als de kopieën, met duizenden jaren daartussen, naar de enorme hoeveelheden papyri die aantonen dat er, vergeleken met onze moderne uitgaven van de klassieken, in een periode van ruim 2000 jaar slechts onbelangrijke tekstuele wijzingen zijn opgetreden, en vooral naar de wetenschappelijke en aantoonbare nauwkeurigheid waarmee de juiste spelling van de namen van koningen en de talloze vreemde termen in de Hebreeuwse tekst aan ons overgeleverd zijn. (Wilson, SIOT, 85)
F. F. Bruce stelt dat “de medeklinkertekst van de Hebreeuwse Bijbel die door de Masoreten geredigeerd werd, met opmerkelijke getrouwheid gedurende een periode van bijna duizend jaar aan hen was overgeleverd.” (Bruce, BP, 178)
William Green komt tot de conclusie dat “rustig gesteld kan worden dat geen enkel antiek werk zo nauwkeurig is doorgegeven.” (Green, GIOT, 81)
Atkinson, onderbibliothecaris van de universiteitsbibliotheek van Cambridge, zegt over de accuratesse van de overdracht van de Hebreeuwse tekst: “Het is bijna een wonder.”
Honderden jaren hebben Joodse rabbi’s met gedetailleerde voorzorgsmaatregelen gewaakt over de overdracht van de Hebreeuwse tekst. Dit hoofdstuk belicht daarvan het resultaat.



