Net zoals de Joden in het Nabije Oosten het Hebreeuws, hun moedertaal, hadden ingewisseld voor het Aramees, gingen ze in Hellenistische centra als het Egyptische Alexandrië van het Aramees over op het Grieks. In de tijd van Alexander de Grote genoten de Joden vele voorrechten. Alexander stond namelijk sympathiek tegenover de Joden vanwege hun opstelling tijdens het beleg van Tyrus. Hij zou zelfs naar Jeruzalem gereisd zijn om eer te bewijzen aan hun God. Telkens wanneer hij nieuwe landen overwon, bouwde hij nieuwe steden – met gewoonlijk ook Joodse bewoners – die hij dikwijls de naam Alexandrië gaf.
Omdat de Joden uit hun moederland verdreven waren, was er behoefte aan de Schriften in de alledaagse taal van die tijd. De Griekse vertaling van de Hebreeuwse Schrift die gemaakt werd tijdens de regering van koning Ptolemeüs Filadelfus van Egypte (285-246 v. Chr.), werd Septuaginta genoemd (wat “zeventig” betekent, en gewoonlijk wordt afgekort met de Romeinse cijfers LXX).
Bij F. F. Bruce vinden we een interessante verklaring voor de herkomst van de naam van deze vertaling. Bruce schrijft over een brief die voorgeeft rond 250 v. Chr. (maar waarschijnlijker kort voor 100 v. Chr.) geschreven te zijn door Aristeas, een hofdienaar van koning Ptolemeüs, aan zijn broer Filocrates:
Ptolemeüs stond bekend als begunstiger van de literatuur en het was onder hem dat de grote bibliotheek in Alexandrië, 900 jaar lang een wereldwonder van cultuur, werd ingewijd. De brief beschrijft hoe Demetrius van Falerum, Ptolemeüs’ veronderstelde bibliothecaris, diens belangstelling opwekte voor de Joodse Wet en hem adviseerde een delegatie naar de hogepriester Eleazar in Jeruzalem te sturen. De hogepriester koos als vertalers zes oudsten van elk van de twaalf stammen van Israël en stuurde hen, met een extra nauwkeurig en mooi uitgevoerd perkament met de Thora, naar Alexandrië. De oudsten kregen een koninklijke maaltijd voorgezet, en bewezen hun wijsheid in een debat; en vervolgens betrokken ze een woning op het eiland Faros (bekend om zijn vuurtoren), waar ze in tweeënzeventig dagen hun taak van het vertalen van de Pentateuch naar het Grieks volbrachten, en18 na samenspraak en vergelijking een versie leverden waar iedereen mee instemde. (Bruce, BP, 147)
Het Griekse Oude Testament van de Septuaginta wijkt zowel in vertaalkwaliteit als inhoud en indeling af van de Hebreeuwse canon. Behalve de tweeëntwintig boeken van het Hebreeuwse Oude Testament bevat de LXX enkele boeken die klaarblijkelijk circuleerden in de Griekssprekende wereld, maar nooit deel uitmaakten van de Hebreeuwse canon. Over de kwaliteit van de vertaling van de LXX zijn de volgende opmerkingen te maken:
(1) De LXX varieert in kwaliteit, variërend van slaafse letterlijke weergaven van de Thora tot vrije vertalingen in de Geschriften (het derde onderdeel van de Hebreeuwse Bijbel). (Zie F. Kenyon, The Text of the Greek Bible, 3e herziene uitgave, bewerkt en uitgebreid door A. W. Adams, pp. 16-19.) Adams geeft aan dat de tekst van Job in de oorspronkelijke LXX feitelijk een zesde korter is dan zijn Hebreeuwse tegenhanger. Er zijn ook grote afwijkingen in Jozua, 1Samuël, 1Koningen, Spreuken, Ester, en Jeremia, en kleinere in andere boeken. Het motief voor het uiteenlopen van de tekst is een van de grootste problemen van de Septuaginta. (2) Het doel van de uitgave van de LXX was het gebruik in openbare diensten in de synagogen, en niet, zoals de Hebreeuwse tekst, voor studiedoeleinden. (3) De vertaling van de oudtestamentische Schrift in de LXX was een pionierswerk en een uitstekend voorbeeld van een dergelijke inspanning. (4) De LXX was over het algemeen trouw aan de lezing van de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst, hoewel volgens sommige geleerden niet alle vertalers echte kenners van het Hebreeuws waren.
Paul Enns zegt over de Septuaginta: “Als vertaling is hij ongelijkmatig, maar hij is nuttig omdat hij gebaseerd is op een Hebreeuwse tekst die duizend jaar ouder is dan onze overgeleverde Hebreeuwse handschriften. Bovendien citeerden nieuwtestamentische schrijvers af en toe uit de Septuaginta; dit geeft ons verder inzicht in de oudtestamentische teksten. (Enns, MHT, 174)
“Wat betreft de invloed van de LXX, iedere pagina van dit lexicon [A Greek-English Lexicon of the New Testament and Other Early Christian Literature (Bauer, Arndt en Gingich)] toont aan dat hij alle andere invloeden op onze literatuur [van de eerste eeuw n. Chr.] overtreft.” Bauer, GELNT, xxi)
De Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude Testament waaraan begonnen werd rond 250 v. Chr., staat wat belangrijkheid betreft op gelijke voet met de Masoretische tekst. In nieuwtestamentische tijden was hij wijdverbreid, wat af te leiden is uit het feit dat het merendeel van de 250 oudtestamentische citaten in het Nieuwe Testament uit deze versie afkomstig is. Waar de LXX afweek van de Masoretische tekst namen sommige wetenschappers aan dat de vertalers van de LXX zich vrijheden veroorloofd hadden met hun teksten. We weten nu van Qumran dat veel van deze verschillen het gevolg waren van het feit dat de vertalers een iets andere Hebreeuwse tekst aanhielden, die behoorde tot wat wij de Proto-Septuagintafamilie zouden noemen. (Yamauchi, SS, 130, 131)
Het feit dat de LXX erg leek op de Masoretische tekst (916 n. Chr.) die wij vandaag hebben, helpt bij het vaststellen van de betrouwbaarheid van de overdracht ervan, dertienhonderd jaar lang.
De LXX en de Bijbelcitaten die we vinden in de apocriefe boeken Ecclesiasticus, Jubileeën, en andere, leveren bewijzen dat de Hebreeuwse tekst vandaag in wezen gelijk is aan de tekst van 300 v. Chr.
Geisler en Nix noemen vier belangrijke bijdragen van de Septuaginta. “[1] Hij overbrugde de godsdienstige kloof tussen de Hebreeuws- en Griekssprekende volken door tegemoet te komen aan de behoeften van de Alexandrijnse Joden, [2] hij overbrugde de historische kloof tussen het Hebreeuwse Oude Testament van de Joden en de Griekssprekende christenen die hem zouden gebruiken bij hun Nieuwe Testament, [3] hij bleek een aanleiding voor zendelingen om vertalingen van de 19 Schrift in verschillende talen en dialecten te maken; en [4] hij overbrugt de kloof van de tekstkritiek door zijn wezenlijke overeenkomst met de Hebreeuwse oudtestamentische tekst.” (Geisler, GIB, 308)
F. F. Bruce geeft twee redenen waarom de Joden hun belangstelling voor de Septuaginta verloren:
- “Vanaf de eerste eeuw n. Chr. zagen de christenen hem als hun versie van het Oude Testament en gebruikten hem vrijelijk in hun verbreiding en verdediging van het christelijke geloof. “ (Bruce, BP, 150)
- “Rond 100 n. Chr. gaven Joodse geleerden een herziene standaardtekst van de Hebreeuwse Bijbel uit.” (Bruce, BP, 151)
Wat begon als een populaire Joodse vertaling van het Oude Testament verloor uiteindelijk veel van haar aantrekkelijkheid voor het Joodse volk.



