Zelfs al heeft de archeologie de Bijbel nooit tegengesproken, toch is hier een waarschuwing 27 op zijn plaats. We horen maar al te vaak de bewering: “De archeologie bewijst de Bijbel.” De archeologie kan de Bijbel niet “bewijzen”, als je daarmee bedoelt: “bewijzen dat hij door God geïnspireerd en geopenbaard is”. Maar als je met “bewijzen” bedoelt “aantonen dat een Bijbelse gebeurtenis of een Bijbelgedeelte historisch is” dan bewijst de archeologie de Bijbel. Ik geloof dat de archeologie een bijdrage levert aan het onderzoek van de Bijbel, niet op het gebied van inspiratie of openbaring, maar in de bevestiging van de historische nauwkeurigheid en betrouwbaarheid van de weergegeven gebeurtenissen. Stel dat de stenen waarop de Tien Geboden geschreven stonden, teruggevonden werden. De archeologie zou kunnen bevestigen dat het stenen waren, dat de Tien Geboden erop geschreven stonden, en dat ze uit de tijd van Mozes stamden; ze zou niet kunnen bewijzen dat God ze aan Mozes overhandigde.
Millar Burrows schrijft dat de archeologie “ons heel veel over de topografie van een militair kamp kan vertellen. Ze kan ons niets vertellen over het wezen van God.” (Burrows, WMTS, 290)
Er is één beperking waarmee de archeologie rekening moet houden, en dat is het gebrek aan overvloedig bewijs. “Oudheidkundigen”, schrijft Edwin Yamauchi, “hebben zich bij hun gebruik van de archeologische bewijzen vaak niet gerealiseerd hoe weinig we maar tot onze beschikking hebben aan bewijzen. Het is niet overdreven om te zeggen dat datgene waarover wij beschikken niet meer is dan een fractie van een fractie van een fractie van de mogelijke bewijzen.” (Yamauchi, SSS, 9)
Joseph Free behandelt de relatie van de archeologie ten opzichte van de Bijbel in Archaeology and Bible History:
We hebben aangegeven dat talrijke Bijbelgedeelten die uitleggers jaren voor raadsels gesteld hadden, hun betekenis vlot prijsgaven zodra archeologische ontdekkingen er nieuw licht op wierpen. Met andere woorden, de archeologie verlicht de woorden van de Schrift en levert zo een waardevolle bijdrage aan de hermeneutiek en exegese van de Bijbel. Bovendien heeft de archeologie talloze passages bevestigd die door critici als niet-historisch of in tegenspraak met bekende feiten verworpen werden. (Free, ABH, 1)
We moeten ons ook realiseren dat de archeologie de “radicale critici” niet volledig weerlegd heeft. Deze critici hebben bepaalde vooronderstellingen die hen verhinderen om een objectief standpunt in te nemen. Burrows heeft helemaal gelijk als hij zegt: “Het is zeker niet waar om te zeggen dat alle theorieën van de critici omvergeworpen zijn door archeologische ontdekkingen. Het is nog veel minder waar om te zeggen dat de grondhouding en de methoden van de moderne wetenschappelijke kritiek weerlegd zijn.” (Burrows, WMTS, 292)
Toch, zoals je in dit hoofdstuk zult zien, heeft de archeologie aangetoond dat veel overtuigingen van radicale critici ongeldig zijn, en vraagtekens gezet bij wat dikwijls gezien werd als “de stellige resultaten van de hogere kritiek.” Het is dan ook belangrijk om in de omgang met de archeologie niet alleen te letten op de feiten, maar ook te kijken naar de vooronderstellingen van hen die de feiten aanvoeren.”
Een voorbeeld vinden we in wat Albright zegt over het bewijs voor de lange regeringsperiode van Salomo, die door radicale critici betwijfeld werd. Hij schrijft: “Alweer zien we dat de radicale kritiek van 28de afgelopen halve eeuw drastische correctie behoeft.” (Albright, NLEHPC, 22)
Sommigen doen de ongegronde bewering dat mensen die in de goddelijke openbaring geloven en mensen die daar niet in geloven het nooit eens zullen zijn over de resultaten van de archeologie omdat ze in twee volkomen verschillende kampen zitten. Zij zullen concluderen dat je archeologische vondsten interpreteert volgens je eigen gezichtspunt.
In “Archaeology and Higher Criticism” gaat Joseph Free zeer overtuigend op deze bewering in:
Volgens dit gezichtspunt betekent een archeologische ontdekking voor een supernaturalist het ene, en voor een niet-supernaturalist het andere, en dus heeft de archeologie niet meer dan een bijkomstige betekenis in de hele apologetische kwestie.
Maar dat is niet het hele plaatje. Ter illustratie: in de negentiende eeuw kon de Bijbelcriticus met gegronde redenen volhouden dat er nooit een Sargon bestaan had, dat de Hethieten ofwel niet bestaan hadden of onbelangrijk waren, dat de verhalen van de aartsvaders een late achtergrond hadden, dat de zevenarmige kandelaar van de tabernakel een laat concept was, dat het Davidische rijk niet zo uitgestrekt was als de Bijbel impliceerde, dat Belsassar nooit bestaan had en dat het Bijbelse verhaal nog een massa andere veronderstelde fouten en onmogelijkheden bevatte.
Archeologische ontdekkingen hebben echter aangetoond dat Sargon wel geleefd heeft en in een schitterend onderkomen woonde, zo’n 20 km ten noorden van Ninevé, dat de Hethieten niet alleen bestaan hadden, maar ook een belangrijk volk waren, dat de achtergrond van de aartsvaders aansluit bij de tijd die de Bijbel aangeeft, dat het idee van een zevenarmige lamp al in de Vroege IJzertijd bestond, dat een belangrijke stad in het verslag over Davids rijk ver in het noorden lag, dat Belsassar bestaan heeft en dat een massa andere veronderstelde fouten en onmogelijkheden helemaal geen fouten zijn.
Het is natuurlijk waar dat in bepaalde perifere gebieden iemands theologie invloed heeft op zijn interpretatie van een gegeven feit of een specifieke archeologische ontdekking. Maar zowel in grote lijnen als in een massa kleine details zijn feiten feiten, of ze nu ontdekt worden door een supernaturalist of een niet-supernaturalist. De schrijver kent geen enkele niet-supernaturalist die nog steeds beweert dat Sargon nooit bestaan heeft, dat er nooit Hethieten waren of dat Belsassar nog steeds een legende is. Er zijn veel punten waarop alle oprechte wetenschapper tot overeenstemming kunnen komen, ongeacht hun theologie. Er zijn echter gebieden waarop de liberalen de bewijzen, archeologisch of anderszins, niet voldoende laten meewegen. Dit geldt, geloven wij, op het gebied van de bronnentheorie en bij de vraag naar de schrijver, de datering en de integriteit van de Bijbelboeken. (Free, AHC, 30, 31)



