De volgende drie punten vormen een nuttige richtlijn voor het bekijken van archeologische gegevens in verband met het christendom. Ten eerste kan betekenis alleen afgeleid worden uit de context. Archeologisch bewijs is afhankelijk van de context van datering, plaats, materialen, en stijl. Hoe het wordt opgevat is afhankelijk van de vooronderstellingen van degene die het interpreteert. Vandaar dat niet alle interpretaties van het bewijs het christendom gunstig gezind zijn. Het is van belang je ervan te verzekeren dat je vooronderstellingen juist zijn voordat je de gegevens interpreteert.
Ten tweede is de archeologie een speciaal soort van wetenschap. Natuurkundigen en chemici kunnen allerlei experimenten uitvoeren om de processen die ze bestuderen opnieuw te creëren en ze telkens weer te bestuderen. Archeologen kunnen dat niet. Zij beschikken alleen over de overgebleven bewijzen uit die ene periode dat een beschaving bestond. Ze bestuderen bijzonderheden uit het verleden, geen regelmatigheden in het heden. Omdat zij de beschavingen die ze bestuderen niet opnieuw kunnen creëren, zijn hun conclusies niet toetsbaar zoals die van andere vakgebieden. De archeologie zoekt plausibele en waarschijnlijke verklaringen voor de bewijzen die ze vindt. Ze kan geen wetten opstellen zoals de natuurkunde. Om deze reden 29 zijn haar conclusies vatbaar voor herziening. De beste interpretatie is die welke het beste alle gegevens verklaart.
Ten derde is het archeologische bewijs fragmentarisch. Het vormt maar een minimale fractie van alles wat er gebeurd is. Vandaar dat de ontdekking van meer bewijzen het beeld aanzienlijk kan veranderen. Dit geldt vooral wanneer conclusies gebaseerd zijn op zwijgen – een ontbreken van bewijs. Veel kritische standpunten tegenover de Bijbel zijn omvergegooid door archeologische ontdekkingen. Zo geloofde men heel lang dat de Bijbel er naast zat als het over de Hethieten ging (Genesis 23:10). Maar sinds de ontdekking van de Hethitische bibliotheek in Turkije (1906) is dit niet langer het geval. (Geisler, BECA, 48, 49)



