Waarom werd er in de afgelopen jaren zoveel meer aandacht besteed aan de archeologie dan daarvoor? William F. Albright citeert vier factoren voor de gestage vooruitgang op het gebied van de archeologie:
- “Een snelle toename in het aantal serieuze archeologische expedities van veel verschillende landen, waaronder Japan. Bovendien hebben museumruimte en publicaties gelijke tred gehouden met het veldwerk. Dus er zijn niet alleen meer opgravingen, maar ook meer artikelen over opgravingen.”
- “Een bijna fenomenale verbetering van de archeologische werkwijze. Dit geldt zowel voor de analyse van bewoningslagen (stratigrafie) als voor de classificatie en relatieve datering van gevonden voorwerpen (typologie).”
- “Gebruik van talrijke nieuwe aan de natuurwetenschappen ontleende technieken, waaronder datering aan de hand van radioactieve koolstof (koolstofisotoop 14).”
- “De ontcijfering en interpretatie van een golf van nieuwe inscripties en teksten in allerlei schrifttypen en talen, waarvan vele tot voor enige decennia onbekend waren. De toepassing van deugdelijke taalkundige en filologische procedures op goed geconserveerde spijkerschrifttabletten en Egyptische hiëratische papyri maakt een snelle en accurate publicatie mogelijk. Een nieuw schrift wordt snel ontcijferd met een paar goede aanwijzingen of voldoende te decoderen materiaal. Het aantal spijkerschrifttabletten dat drie millennia bewaard gebleven is in West-Azië en Egypte lijkt praktisch onbeperkt te zijn, en nieuwe methoden van bakken en vermenigvuldiging hebben de verliezen tot een verrassend lage proportie gereduceerd.
Met behulp van stratigrafie, wetenschappelijke analyse en museumonderzoek kan de archeoloog het dagelijks leven van oude volken nu met een verrassende volledigheid reconstrueren.” (Albright, ADS, 3)



