Tijdens de opgravingen van Jericho (1930-1936) vond Garstang iets wat zo schokkend was dat hij met nog twee teamleden een ondertekend document opstelde dat vermeldde wat ze ontdekt hadden. Verwijzend naar die vondsten zegt Garstang: “Wat het belangrijkste feit betreft, is er dus geen enkele twijfel meer: de muren vielen zo totaal naar buiten dat de aanvallers in staat geweest moeten zijn om op en over de ruïnes de stad in te klimmen. Waarom zo ongebruikelijk? Omdat stadswallen niet naar buiten vallen; ze vallen naar binnen. En toch lezen we in Jozua 6:20: ’En de muur stortte ineen, (wat in de Engelse Revised Standard Version is vertaald met: ‘and the wall fell down flat’) en het volk klom de stad binnen, ieder recht voor zich uit, en zij namen de stad in.’ De muur viel plat naar buiten.” (Garstang, FBHJJ, 146)
Bryant Wood neemt in Biblical Archeaology Review (Wood, DICJ, 44-59) een lijst op met punten van overeenstemming tussen de archeologische bewijzen en het Bijbelse verhaal:
1. De stad was zwaar versterkt (Jozua 2:5, 7, 15; 6:5, 20).
2. De aanval vond vlak na de oogsttijd in het voorjaar plaats (Jozua 2:6; 3:15)
3. De bewoners hadden geen gelegenheid om te vluchten met hun voedselvoorraden (Jozua 6:1)
4. De belegering duurde niet lang (Jozua 6:15).
5. De muren werden met de grond gelijk gemaakt, waarschijnlijk door een aardbeving (Jozua 6:20).
6. De stad werd niet geplunderd (Jozua 6:17, 18).
7. De stad werd in brand gestoken (Jozua 6:24).



