Saul was de eerste koning van Israël, en zijn fort in Gibea is opgegraven. Een van de meest interessante vondsten was dat slingers de voornaamste wapens van die tijd waren. Dit sluit niet alleen aan bij Davids overwinning over Goliat, maar ook bij de vermelding in Rechters 20:16 dat er zevenhonderd uitstekende slingeraars waren die “zo haarscherp konden mikken dat ze hun doel nooit misten.”
Samuël vertelt ons dat Sauls wapenrusting na zijn dood in Bet San in de tempel van Astarte (een Kanaänitische vruchtbaarheidsgodin) werd gelegd, terwijl Kronieken zegt dat zijn hoofd aan de tempel van Dagon, de Filistijnse god van het graan, werd genageld. Dit werd gezien als een fout omdat het onwaarschijnlijk leek dat vijandige volken op dezelfde plek op dezelfde tijd een tempel zouden hebben. Opgravingen hebben echter aangetoond dat er op deze plek twee tempels waren, die gescheiden werden door een hal: één voor Dagon, en de ander voor Astarte. Het lijkt erop dat de Filistijnen ook de Kanaänitische godin waren gaan aanbidden.
Een van de grootste prestaties tijdens Davids regering was de inname van Jeruzalem. Problematisch in het Bijbelse verhaal is dat de Israëlieten de stad binnenkwamen door 31 een tunnel die naar het Bad van Siloam leidde. Men dacht echter dat deze vijver in die tijd buiten de stadsmuren lag. Maar opgravingen in de jaren 1960 onthulden dat de muur inderdaad een eind voorbij de vijver liep.
De tijd van Salomo is niet minder ondersteund door bewijzen. Salomo’s tempel kan niet opgegraven worden omdat hij vlak bij de heilige plaats van de moslims, de Rotskoepel, ligt. Maar wat bekend is over Filistijnse tempels, gebouwd in Salomo’s tijd, sluit goed aan bij het ontwerp, de versiering en de materialen die in de Bijbel beschreven worden. Het enige bewijsstuk van de tempel zelf is een klein ornamentje, een granaatappel, die aan het einde van een staf zat en de inscriptie: “Behorend bij de Tempel van Jaweh” draagt. Het werd in 1979 gevonden in een winkel in Jeruzalem, in 1984 als echt gewaarmerkt, en in 1988 aangekocht door het Israël Museum.
Tijdens de opgraving van Gezer in 1969 stuitte men op een dikke aslaag die bijna de hele heuvel bedekte. De as werd gezeefd en leverde stukjes van Hebreeuwse, Egyptische, en Filistijnse artefacten op. Blijkbaar waren alle drie de culturen er in dezelfde tijd geweest. Dit verbaasde de onderzoekers behoorlijk tot ze zich realiseerden dat de Bijbel precies bevestigt wat zij gevonden hadden. “De farao, de koning van Egypte, was indertijd tegen Gezer opgetrokken, had de stad ingenomen en in de as gelegd en alle Kanaänieten die er woonden gedood, en toen zijn dochter met Salomo trouwde, had hij haar deze stad als bruidsschat meegegeven.” (1Koningen 9:16) (Geisler, BECA, 51,52)
Een artikel uit 1989 van Alan Miljard in Biblical Archaeology Review, getiteld: “Does the Bible Exaggerate King Solomon’s Wealth?” stelt: “Mensen die de Bijbel lezen en een subjectief oordeel vellen over de betrouwbaarheid ervan komen dikwijls tot de – begrijpelijke – conclusie dat de omschrijvingen van Salomo’s goud zwaar overdreven zijn. De hoeveelheid goud die de Bijbel aan Salomo toeschrijft is gewoonweg ongelooflijk, onvoorstelbaar zelfs.”
“We hebben niet bewezen dat de Bijbelse details over Salomo’s goud nauwkeurig zijn. Maar door de Bijbeltekst naast andere oude teksten en archeologische ontdekkingen te leggen hebben we wel aangetoond dat het Bijbelverhaal volkomen in overeenstemming is met de gewoonten van de oude wereld, voor zover we ons daarvan kunnen vergewissen, niet alleen in het gebruik van goud, maar ook in de hoeveelheden die hij vermeldt. Hoewel dit niet aantoont dat het verhaal in de Bijbel juist is, laat het wel zien dat het aannemelijk is.“ (Millard, DBEKSW, 20)



