4C. David

De archeoloog S. H. Horn geeft een uitstekend voorbeeld van het nut van archeologische bewijzen voor de studie van de Bijbel:

Door het archeologisch onderzoek is enig interessant licht geworpen op de inname van Jeruzalem door David. De Bijbelverslagen over die inname (II Samuël 5:6-8 en I Kronieken 11:6) zijn zonder hulp van archeologische bewijzen nogal onduidelijk. Neem bijvoorbeeld II Samuël 5:8, waar in de Statenvertaling staat: “Want David zeide ten zelfden dage: Al wie de Jebusieten slaat, en geraakt aan die watergoot, en die kreupelen, en die blinden, die van Davids ziel gehaat zijn, die zal tot een hoofd en tot een overste zijn.” Voeg aan deze opmerking Kronieken 11:6 toe: “Toen beklom Joab, de zoon van Zeruja, dien het eerst; daarom werd hij tot een hoofd.”

Een aantal jaren geleden zag ik een schilderij van de inname van Jeruzalem waarop de kunstenaar een man liet zien die tegen een metalen afvoerpijp tegen de buitenkant van de stadsmuur opklom. Dit was een idiote illustratie omdat stadsmuren in de oudheid geen goten of afvoerpijpen hadden, hoewel er wel lekgaten in de muren zaten om het water af te voeren. De NBG-vertaling, uitgegeven nadat de situatie door archeologische ontdekkingen op die plek duidelijk was geworden, geeft het gedeelte in kwestie als volgt weer: “David had toen gezegd: ‘Wie de Jebusieten wil verslaan, moet door de watergang binnendringen; van lammen en blinden heeft David 32een hartgrondige afkeer’. Daarom zegt men:’ Blinden en lammen mogen niet binnenkomen.‘ David nu had gezegd: Wie de Jebusieten de eerste slag toebrengt, zal aanvoerder en overste worden. En Joab, de zoon van Seruja, klom het eerst naar boven; daarom werd hij aanvoerder.”

Wat was deze watergang waardoor Joab naar boven klom?

In die dagen was Jeruzalem een kleine stad op één van de uitlopers van de heuvels waarop de grote stad eenmaal zou liggen. De stad had een sterke natuurlijke strategische positie omdat hij aan drie zijden omringd was door ravijnen. Dit was de reden waarom de Jebusieten zo pochend beweerden dat zelfs blinden en lammen hun stad konden verdedigen tegen een sterk aanvalsleger. Maar de waterbevoorrading van de stad was een zwak punt; de bevolking was volkomen afhankelijk van een bron die buiten de stad op de oostelijke zijde van de heuvel lag.

Om water te kunnen putten zonder naar beneden naar de bron te gaan, hadden de Jebusieten een ingewikkeld systeem van tunnels uitgehouwen in de rotsen. Eerst hadden ze vanaf de bron in de richting van het midden van de stad een horizontale tunnel gegraven. Na ruim 27 meter waren ze op een natuurlijke grot gestuit. Vanuit die grot hadden ze een verticale schacht gegraven van 14 meter hoog, en vanaf het einde van die schacht een schuin oplopende tunnel van 41 meter lang met een trap die bovenkwam in de stad, 33 meter boven het waterpeil van de bron. De bron werd vervolgens van buitenaf onzichtbaar gemaakt zodat geen enkele vijand hem zou kunnen ontdekken. Om water te halen gingen de Jebusitische vrouwen naar beneden door de bovenste tunnel en lieten hun waterzakken door de schacht naar beneden zakken om water te putten uit de grot waar het op natuurlijke wijze naartoe stroomde door de horizontale tunnel die de grot met de bron verbond.

Één vraag bleef echter onbeantwoord. Bij de opgravingen van R. A. S. Macalister en J. G. Duncan van zo’n veertig jaar geleden waren een muur en een toren ontdekt die respectievelijk van Jebusitische en Davidische oorsprong waren. Het stuk muur liep langs de rand van de heuvel Ofel, ten westen van de tunnelingang. Zodoende lag de ingang buiten de beschuttende stadsmuur, overgeleverd aan vijandelijke aanvallen en interventies. Waarom was die tunnel niet zo gemaakt dat hij eindigde in de stad? Dit raadsel is nu opgelost door de recente opgravingen van Kathleen Kenyon op Ofel. Zij ontdekte dat Macalister en Duncan de door hen ontdekte muur en toren verkeerd gedateerd hadden; deze objecten stamden uit de Hellenistische periode. Ze ontdekte de echte Jebusitische muur iets lager op de helling, ten oosten van de tunnelingang, waarmee de ingang nu veilig binnen het gebied van de oude stad ligt.

David, geboren in Betlehem, 6 km ten zuiden van Jeruzalem,… deed de belofte dat de eerste man die de stad door de watergang zou ingaan zijn aanvoerder zou worden. Joab, die al generaal van het leger was, wilde die positie niet kwijtraken en leidde de aanval daarom zelf. De Israëlieten gingen blijkbaar door de tunnel, klommen door de schacht, en waren in de stad voordat de belegerde burgers zelfs maar op de gedachte kwamen dat er zo’n stoutmoedig plan bedacht was. (Horn, RIOT, 15, 16)

Avraham Biram (Biram, BAR, 26) zegt over een nieuwe ontdekking in 1994:

Een opmerkelijke inscriptie uit de negende eeuw v. Chr. verwijst naar zowel het [Huis van David] als de [Koning van Israël]. Dit is de eerste keer dat de naam van David, buiten de Bijbel, in een inscriptie is gevonden. Dat de inscriptie niet zomaar naar een [David] verwijst maar naar het Huis van David, de dynastie van de grote koning van Israël, is zelfs nog opmerkelijker. … dit kan wel eens de oudste buiten-Bijbelse verwijzing naar Israël in het Semitische schrift zijn. Als deze inscriptie iets bewijst, is het wel dat zowel Israël als Juda, in tegenstelling tot 33 de beweringen van sommige geleerde Bijbelminimaliseerders in deze tijd belangrijke koninkrijken waren.


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate