We beschikken niet alleen over nauwkeurige kopieën van het Oude Testament, maar ook is de inhoud van de handschriften historisch betrouwbaar.
William F. Albright, die bekend staat als een van de grote archeologen, stelt: “Er kan geen twijfel aan bestaan dat de archeologie de essentiële historiciteit van de oudtestamentische overlevering bevestigt.” (Albright, ARI, 176)
Professor H. H. Rowley (geciteerd door Donald F. Wiseman in Revelation and the Bible) stelt “dat de huidige wetenschappers veel meer respect hebben voor de verhalen over de aartsvaders, komt niet doordat ze uitgaan van conservatievere vooronderstellingen dan hun voorgangers, maar omdat de bewijzen dat rechtvaardigen.” (Rowley, zoals geciteerd in Wiseman, ACOT, in Henry, RB, 305)
Merril Unger vat samen: “De archeologie van het Oude Testament heeft hele naties opnieuw ontdekt, belangrijke volken opnieuw doen opstaan, en op een hoogst verbazingwekkende manier historische gaten ingevuld en een immense bijdrage geleverd aan de achtergrondkennis bij de Bijbel.” (Unger, AOT, 15)
Sir Frederick Kenyon zegt: “Het is dan ook gewettigd om te zeggen dat, met betrekking tot dat gedeelte van het Oude Testament waartegen de afbrekende kritiek van de laatste helft van de negentiende eeuw hoofdzakelijk gericht was, de archeologie het gezag daarvan hersteld heeft en bovendien de waarde ervan vergroot door het begrijpelijker te maken, aangezien er nu meer bekend is van de achtergronden en het historische kader ervan. De archeologie heeft haar laatste woord nog niet gesproken; maar de reeds bereikte resultaten bevestigen wat het geloof al veronderstelt: dat kennistoename de Bijbel alleen maar ten goede kan komen.” (Kenyon, BA, 279)
De archeologie heeft een overvloed van bewijzen geleverd voor de juistheid van onze Masoretische tekst. Bernard Ramm schrijft over het zgn. Jeremia-zegel:
De archeologie heeft ons ook bewijzen geleverd voor de substantiële nauwkeurigheid van onze Masoretische tekst. Dit zegel, dat gebruikt werd als stempel op met bitumen verzegelde wijnvaten, dateert uit de eerste of tweede eeuw n. Chr. De tekst erop is Jeremia 48:11, die in grote lijnen overeenkomt met de Masoretische tekst. Dit zegel “…getuigt van de nauwkeurigheid waarmee de tekst is overgedragen vanaf de tijd dat het zegel vervaardigd werd tot de tijd dat de handschriften geschreven werden.” Ook de Roberts Papyrus, die dateert van de tweede eeuw v. Chr., en de Nash Papyrus, door Albright gedateerd voor 100 v. Chr., bevestigen onze Masoretische tekst. (Ramm, CITOT, 8-10)
William Albright verzekert ons dat we “er zeker van kunnen zijn dat de consonanttekst van de Hebreeuwse Bijbel, hoewel niet feilloos, bewaard is gebleven met een wellicht in de hele literatuur van het Nabije Oosten ongeëvenaarde nauwkeurigheid. … Nee, de stroom van licht die de Ugaritische literatuur nu werpt op de Bijbels-Hebreeuwse poëzie uit iedere periode, garandeert de relatieve oudheid en de verbazingwekkende nauwkeurigheid van de overdracht ervan. (Albright, OTAAE, zoals geciteerd in Rowley, TMS, 25)
De archeoloog Albright schrijft over de nauwkeurigheid van de Schrift zoals blijkt uit de archeologie: “De inhoud van onze Pentateuch is, over het algemeen, veel ouder dan de datum waarop de laatste redactie ervan plaatsvond; nieuwe ontdekkingen bevestigen steeds weer de historische accuratesse of de literaire ouderdom van detail na detail. … Het is dan ook pure hyperkritiek om het wezenlijk Mozaïsche karakter ervan te ontkennen.” (Dodd, MNTS, 224)
Albright zegt over het gebruikelijke commentaar van de critici:
Tot voor kort was het mode onder Bijbelhistorici om de patriarchale kronieken van Genesis te behandelen als kunstmatige creaties van de Israëlitische schriftgeleerden van het Verdeelde Koninkrijk, of als verhalen van fantasierijke rapsoden rond de Israëlitische kampvuren in de eeuwen die volgden op de inname van het land. We kunnen grote namen van geleerden noemen die alles in Genesis 11-50 beschouwden als latere bedenksels, of in elk geval de achteraf in het verre verleden (waarvan geen enkele werkelijke kennis verondersteld werd bij de schrijvers van later dagen) ingebrachte gebeurtenissen en omstandigheden uit de tijd van het Koninkrijk. (Albright BPFAE, 1, 2)
Die situatie is nu totaal veranderd, schrijft Albright: “Archeologische ontdekkingen vanaf 351925 hebben dit allemaal veranderd. Op een paar stijfkoppige oudere wetenschappers na is er nauwelijks één Bijbelhistoricus die niet onder de indruk is van de snelle ophoping van gegevens die de fundamentele historiciteit van de overlevering van de aartsvaders bevestigen. Volgens de overlevering van Genesis waren de voorouders van Israël, in de laatste eeuwen van het tweede millennium v. Chr. en de eerste eeuwen van het eerste millennium n. Chr., nauw verwant aan de semi-nomadische volken van Transjordanië, Syrië, het dal van de Eufraat en Noord-Arabië.” (Albright, BPFAE, 1, 2)
Millar Burrows vervolgt:
Voor een duidelijk beeld van de situatie moeten we twee soorten bewijs onderscheiden: generiek en specifiek. Generiek bewijs is een kwestie van compatibiliteit zonder duidelijke confirmatie van specifieke punten. Veel van wat hier besproken is als verklaring en illustratie is te beschouwen als generiek bewijs. Het beeld past in het kader; de melodie en de begeleiding harmoniëren. De kracht van dergelijk bewijs is cumulatief. Hoe meer we ontdekken dat onderdelen van het beeld van het verleden dat de Bijbel schildert, hoewel niet rechtstreeks aangetroffen, verenigbaar zijn met wat we weten door de archeologie, hoe sterker onze indruk van algehele authenticiteit. Loutere legende of fictie zou onherroepelijk door de mand vallen door anachronismen en ongerijmdheden. (Burrows, WMTS, 278)
Raymond A. Bowman, hoogleraar aan de Universiteit van Chicago, geeft aan dat archeologie bijdraagt aan het evenwicht tussen Bijbel en kritische hypotheses: “Het feit dat het Bijbelse verhaal op de meeste punten bevestigd is, heeft geleid tot een nieuw respect voor de Bijbelse overlevering en een conservatiever beeld van de Bijbelse geschiedenis.” Bowman, OTRGW, zoals geciteerd in Willoughby, SBTT, 30)
Albright zegt in “Archaeology Confronts Biblical Criticism” dat “archeologische gegevens en inscripties de historiciteit van talloze gedeelten en beweringen in het Oude Testament bevestigd hebben.” (Albright, ACBC, 181)
De archeologie bewijst niet dat de Bijbel het Woord van God is. Alles wat ze doen kan is de fundamentele historiciteit en authenticiteit van een verhaal bevestigen. Ze kan aantonen dat bepaalde gebeurtenissen passen in de tijd waarin ze zichzelf plaatsen. “We zullen waarschijnlijk nooit”, zegt G. E. Wright, “in staat zijn te bewijzen dat Abram werkelijk bestond…maar wat we wel kunnen bewijzen is dat zijn leven en zijn tijd, zoals weerspiegeld in de verhalen over hem, volmaakt passen in het begin van het tweede millennium, maar onvolmaakt in welke latere periode ook.” (Wright, BA, 40)
Millar Burrows van Yale erkende de waarde van de archeologie in de bevestiging van de authenticiteit van de Schrift als volgt:
De Bijbel wordt keer op keer ondersteund door archeologische bewijzen. Over het geheel genomen lijdt het geen twijfel dat de resultaten van opgravingen het respect van wetenschappers voor de Bijbel als een verzameling historische documenten vergroot heeft. Het bewijs is zowel generiek als specifiek. Het feit dat het document zo dikwijls verklaard of geïllustreerd kan worden door de archeologische gegevens bewijst dat het past binnen het kader van de geschiedenis zoals alleen een authentiek voortbrengsel uit de oudheid dat zou kunnen. Bovenop deze generieke bevestiging vinden we ook met regelmaat dat het document op specifieke punten bevestigd wordt. Namen van plaatsen en personen verschijnen op de juiste plek en in de juiste periode. (Burrows, HAHSB, 6)
Joseph Free merkt op dat hij eens “door het boek Genesis bladerde en me bedacht dat elk van de vijftig hoofdstukken ofwel verhelderd ofwel bevestigd worden door de een of andere archeologische ontdekking – en hetzelfde geldt voor het merendeel van de rest van de hoofdstukken van de Bijbel, zowel van het Oude als het Nieuwe Testament.” (Free, AB, 340)



