De eerste hoofdstukken van Genesis (1-11) worden over het algemeen gezien als mythologische verklaringen, afgeleid uit eerdere versies van het verhaal zoals dat gevonden wordt in het Nabije Oosten. Maar dit standpunt let welbewust alleen maar op de overeenkomsten tussen Genesis en de scheppingsverhalen in andere oude culturen. Als we uitgaan van het feit dat het menselijk ras zich uit één familie heeft ontwikkeld, en als we uitgaan van algemene openbaring, is het niet meer dan logisch dat er sporen resten van het echte historische verhaal. De verschillen zijn belangrijker. Verhalen van de Babyloniërs en Sumeriërs beschrijven de schepping als het resultaat van een strijd tussen sterfelijke goden. Als een van die goden verslagen wordt en doormidden gehakt, ontspringt uit het ene oog de rivier de Eufraat, en uit het andere de Tigris. De mens wordt geschapen uit bloed, met klei vermengd, van een kwade god. Dergelijke verhalen vertonen het soort van verdraaiing en verfraaiing die te verwachten is wanneer een historisch verslag gemythologiseerd wordt.
Minder waarschijnlijk is een literaire voortschrijding van deze mythologie naar de onopgesmukte elegantie van Genesis 1. De algemene aanname dat het Hebreeuwse verhaal enkel een opgeschoonde en vereenvoudigde versie van de Babylonische legende is, is bedrieglijk. In het oude Nabije Oosten was de regel dat eenvoudige verhalen of overleveringen aanleiding gaven (door aangroei en verfraaiing) tot ingewikkelde legendes, en niet andersom. Dus de bewijzen ondersteunen het gezichtspunt dat Genesis geen mythe was die tot geschiedenis gemaakt is. Nee, de buiten-Bijbelse verhalen waren geschiedenis die in mythen veranderde. (Geisler, BECA, 48,49)



