K. A. Kitchen zegt over de kritische kijk op de Schrift van vele liberale geleerden: “Zeventig of honderd jaar geleden was een dergelijke grote perspectivische diepte onmogelijk; en omdat dat beter paste in hun puur theoretische reconstructies van de boeken en de geschiedenis van het Oude Testament, typeerden vooral Duitse oudtestamentici veel Hebreeuwse woorden als “laat” – 600 v. Chr. en later, feitelijk. Met deze simpele methode krijgen tot op de dag van vandaag puur filosofische vooroordelen de uiterlijke schijn van een ‘wetenschappelijke’ reconstructie mee.” (Kitchen, BIW, 50)
In reactie hierop vervolgt hij:
Echter, met de enorme groei van onze kennis van de voorgeschiedenis van woorden in het oudtestamentisch Hebreeuws is dit aan het veranderen. Als een bepaald woord in Ebla gebruikt wordt in 2300 v. Chr., en in Ugarit in 1300 v. Chr., dan kan het met de beste wil van de wereld onmogelijk een “laat woord” zijn (600 v. Chr.!), of een “Aramisme”, in een periode dat het standaard Aramees zich nog niet eens ontwikkeld had. Het wordt juist een vroeg woord, een deel van de voorouderlijke erfenis van het Bijbels Hebreeuws. Positiever, het toegenomen aantal contexten van zeldzame woorden vormt een nuttige bevestiging – of correctie – van ons inzicht in hun betekenis. (Kitchen, BIW, 50)
Verwijzend naar specifieke woorden stelt Kitchen:
Dus, om terug te keren naar het overzicht van stadsbestuurders van Ebla, het woord dat gebruikt wordt voor al deze “leiders” was nase, hetzelfde woord als nasi, een term die het Bijbels Hebreeuws gebruikt voor de leiders van de stammen van Israël (bijv. Numeri 1:16, 44, enz.) en toegepast op andere puur menselijke heersers zoals
Salomo, (1Koningen 11:34). De ouderwetse Bijbelkritiek beweerde dat dit een “laat” woord was, een teken van de hypothetische “priestercode”, bijvoorbeeld.
39Het woord hetem, “goud”, is in het Hebreeuws een zeldzaam en dichterlijk synoniem voor zahab, en wordt over het algemeen afgedaan met “laat”. Jammer voor deze foute datering; het was een Egyptisch woord, in de twaalfde eeuw v.Chr geleend uit het Kanaänitisch, en komt nu – meer dan 1000 jaar eerder – terug als kutim in het Paleo-Kanaänitisch van Ebla, 2300 v. Chr. (Kitchen, BIW, 50)
Hij vervolgt:
Het Hebreeuwse woord tehom, “diep”, was niet ontleend aan het Babylonisch, aangezien het niet alleen voorkomt in het Ugaritisch als thmt (dertiende eeuw v. Chr.), maar ook in Ebla, zo’n duizend jaar daarvoor (ti’amatum). De term is algemeen Semitisch.
Als voorbeeld van een zeldzaam woord waarvan zowel het bestaan als de betekenis wordt bevestigd, kunnen we het Hebreeuwse woord areshet “verlangen” citeren, dat maar één keer in de Bijbel voorkomt, in Psalm 21:2. Behalve in het Ugaritisch in de dertiende eeuw v. Chr., verschijnt dit woord nu een millennium eerder in Ebla als irisatum (Eblaitisch of Oud Akkadisch) op de kleitabletten van een Sumerisch/Eblaitisch woordenboek.
Tenslotte, het veronderstelde “late” werkwoord hadash/hiddes, “nieuw zijn” “vernieuwen” gaat – alweer – via het Ugaritisch (hadath) terug op het Eblaitische (h) edash (u). En zo verder, in nog veel meer gevallen.
Kitchen komt tot de conclusie:
De lessen die we hier kunnen trekken zijn duidelijk – of zouden dat moeten zijn. Tegen een achtergrond van tweeduizend jaar geschiedenis en ontwikkeling van de West-Semitische dialecten, is de hele datering van het vocabulaire en het gebruik van het Bijbels Hebreeuws aan herziening toe. De waarheid lijkt te zijn dat het vroege West-Semitisch in het derde en tweede millennium v. Chr. een uitgebreid en rijk vocabulaire tot zijn beschikking had, waarvan de latere dialecten zoals het Kanaänitisch, Hebreeuws, Fenicisch, Aramees, enz., erfgenamen geworden zijn – maar niet in gelijke mate. Woorden die in de ene taal alledaags, prozaïsch gebruik waren, bleven in andere leden van de groep alleen hangen in hoogdravende poëzie of in overgeleverde uitdrukkingen. Dus niet weinig veronderstelde “late woorden” of Aramismen in het Hebreeuws (vooral in de poëzie) zijn niets meer dan vroege West-Semitische woorden die minder courant waren in het Hebreeuws, maar in het Aramees een levendig gebruik kenden. (Kitchen, BIW, 51)



