Er zijn inmiddels heel wat bewijzen dat de wereld op een bepaald moment inderdaad één taal sprak. De Sumerische literatuur zinspeelt meerdere malen op dit feit. Ook taalkundigen zien dit als een nuttige theorie bij het categoriseren van talen. Maar hoe zit het met de toren en de verwarring van de talen bij de toren van Babel (Genesis 11)? De archeologie heeft onthuld dat Ur-Nammu, die koning van Ur was van ongeveer 2044 tot 2007 v. Chr., opdracht gekregen schijnt te hebben om een grote ziggurat te bouwen ter verering van de maangod Nannat. Een stele (monument) van ongeveer anderhalve meter breed en drie meter hoog vertelt van Ur-Nammu’s activiteiten. Op één paneel staat hij met een speciemand in de hand klaar om te beginnen met de bouw van de geweldige toren – waarmee hij zijn trouw toont aan de goden door zich te gedragen als een nederige werkman. Een andere kleitablet vermeldt dat de bouw van de toren de goden mishaagde, zodat ze het bouwsel omvergooiden, de mensen uiteendreven en hun spraak onbegrijpelijk maakten. Dit lijkt opmerkelijk veel op het Bijbelse verhaal.
Volgens de Schrift “werd er op de hele aarde één enkele taal gesproken” (Genesis 11:1) voorafgaand aan de toren van Babel. Na de bouw van de toren en de vernietiging ervan verwarde God de taal van de hele aarde (Genesis 11:9). Veel moderne filologen leggen getuigenis af van de waarschijnlijkheid van een dergelijke oorsprong van de talen van de wereld. Alfredo Trombetti zegt dat hij de gemeenschappelijke oorsprong van alle talen kan nagaan en bewijzen. Ook Max Müller getuigt van een gemeenschappelijke oorsprong. En Otto Jespersen gaat zover te zeggen dat de taal rechtstreeks door God aan de eerste mens gegeven werd. (Free, ABH, 47)



