Met de vondst van zesentwintigduizend kleitabletten in het paleis van Assurbanipal, de zoon van Esarhaddon, die in 722 v. Chr. het noordelijke rijk in ballingschap voerde, hebben we veel geleerd over de Assyriërs. Deze tabletten vertellen over de vele overwinningen van het 46Assyrische rijk en doen verslag van de wrede en gewelddadige bestraffing van degenen die zich tegen de Assyriërs verzetten.
Verscheidene van deze verslagen bevestigen de nauwkeurigheid van de Bijbel. Elke Bijbelse verwijzing naar Assyrische koningen is juist gebleken. Hoewel Sargon een tijd lang onbekend was, vond men na het uitgraven van zijn paleis een muurschildering met daarop de strijd die wordt vermeld in Jesaja 20. De zwarte obelisk van Salmanassar vergroot onze kennis van Bijbelse personen doordat hij Jehu (of een afgezant) toont, die buigt voor de koning van Assyrië.
Een van de interessantste vondsten is Sanheribs verslag van de belegering van Jeruzalem. Duizenden van zijn mannen stierven en de rest werd uiteengejaagd toen hij probeerde de stad in te nemen, en zoals Jesaja voorspeld had, er niet in slaagde haar te overwinnen. Aangezien hij niet kon pochen over zijn geweldige overwinning hier, vond Sanherib een manier om zichzelf mooi af te schilderen zonder zijn nederlaag toe te geven (Geisler, BECA, 52):
Wat Hiskia betreft, hij onderwierp zich niet aan mijn juk. Ik belegerde 46 van zijn vestingsteden en ommuurde forten en talloze kleine dorpen in hun nabijheid. Ik heb van hen 200.150 personen uitgedreven, jong en oud, mannelijk en vrouwelijk, paarden, ezels, kamelen, groot- en kleinvee zonder tal, en beschouwde [hen] als buit. Hemzelf heb ik tot gevangene gemaakt in Jeruzalem, zijn koninklijke residentie, als een vogel in een kooi. (Pritchard, ANET, zoals geciteerd in Geisler, BECA, 52)



