Verschillende aspecten van het oudtestamentische verhaal over de Babylonische ballingschap zijn bevestigd. Verslagen uit Babylons befaamde hangende tuinen hebben aangetoond dat Jojachin en zijn vijf zonen een maandelijkse toelage en een plek om te wonen kregen en goed behandeld werden (2Koningen 25:27-30). De naam van Belsassar veroorzaakte problemen, omdat hij niet alleen nergens vermeld werd, maar er ook geen plek voor hem was in de lijst van Babylonische koningen; echter, Nabonidus heeft een verslag achtergelaten dat hij zijn zoon, Belsassar (Daniël 5) aanwees om tijdens zijn afwezigheid een aantal jaren te regeren. Vandaar dat Nabonidus nog steeds koning was, maar Belsassar in de hoofdstad regeerde. Ook de verordening van Cyrus zoals weergegeven in Ezra leek te mooi in het plaatje van Jesaja’s profetieën te passen om waar te zijn, tot er een cilinder werd gevonden die de verordening in alle belangrijke details bevestigde. (Geisler, BECA, 52)



