William F. Albright vertelt ons in zijn artikel “The Bible After Twenty Years of Archaeology” in Religion in Life:
We vermelden de nieuwe documenten van de zesde en vijfde eeuw v. Chr. die sinds 1935 aan het licht gekomen zijn. In 1935 ontdekte de inmiddels overleden J. L. Starkey de Ostraka van Lachis, die voornamelijk bestonden uit brieven, met inkt geschreven op potscherven. Samen met verscheidene andere ostraka, gevonden in 1938, vormen ze een uniek stuk Hebreeuws proza uit de tijd van Jeremia. Verder licht op de tijd van de ballingschap komt van de bevoorradingslijsten van Nebukadnessar, in Babylon gevonden door de Duitsers, en in 1939 gedeeltelijk gepubliceerd door E. F. Weidner. 47 … Iets jonger, maar van doorslaggevende waarde voor ons inzicht in de geschiedenis en de literatuur van de Joden in de tijd van Ezra en Nehemia zijn de Aramese papyri en ostraka die nog steeds gevonden worden in Egypte. Dit materiaal wordt gepubliceerd in vier grote groepen, en als alles is uitgegeven zal de totale hoeveelheid van dergelijke geschriften ten opzichte van twintig jaar geleden meer dan verdubbeld zijn. (Albright, BATYA, 539)
R. S. Haupert schreef een overzichtsartikel over deze vondsten: “Lachish – Frontier Fortress of Judah”. Hij gaat in op de achtergrond en de schrijvers van deze brieven:
Het merendeel van de best bewaard gebleven brieven is geschreven door een zekere Hosaja (een goede Bijbelse naam: Nehemia 12:32; Jeremia 42:1, 43:2), blijkbaar een legerofficier die gestationeerd was in een buitenpost of observatiepunt niet ver van Lachis, aan Jaos, zijn superieur in Lachis. Dat de brieven allemaal in een tijdsbestek van enkele dagen of weken geschreven werden valt af te leiden uit het feit dat de potscherven waarop ze geschreven waren afkomstig zijn van kruiken van vergelijkbare vorm en ouderdom, en dat vijf van de scherven zelfs aan elkaar passen als stukken van hetzelfde vat. Het feit dat op twee na alle brieven gevonden werden op de vloer van het wachtlokaal suggereert natuurlijk dat ze daar door Jaos zelf zijn gedeponeerd nadat hij ze van Hosaja ontvangen had. (Haupert, LFFJ, 30, 31)



