Albright wijdt in Bulletin of the American Schools of Oriental Research een artikel: “The Oldest Hebrew Letters: Lachish Ostraka”, aan deze vondst, waarin hij de achtergrond van de brieven behandelt: “In de loop van deze schets zal de oplettende lezer steeds duidelijker zijn geworden dat de taal van de Lachisgeschriften perfect Klassiek Hebreeuws is. De afwijkingen van het Bijbelse gebruik zijn veel minder in aantal en gewicht dan Torczyner veronderstelt. In deze brieven bevinden we ons precies in de tijd van Jeremia, en de sociale en politieke omstandigheden sluiten perfect aan bij het beeld dat geschilderd wordt in het boek dat zijn naam draagt. De Lachisbrieven nemen een waardige plaats in tussen de Ostraka van Samaria en de Papyri van Elephantine als epigrafische monumenten van de Bijbels-Hebreeuwse geschiedenis.” (Albright, OHL, 17)
G. E. Wright dateert de brieven in “The Present State of Biblical Archaeology” op basis van interne bewijzen:
“Op Brief XX staan de woorden ‘het negende jaar’, dat is, van koning Sedekia. Dat is hetzelfde jaar waarin Nebukadnessar aankwam om Juda te veroveren: ‘In het negende jaar van zijn regering, op de tiende dag van de tiende maand‘ (2Koningen 25:1; dit zou ongeveer januari 558 v. Chr. zijn, en de belegering van Jeruzalem ging door tot juli 587 v. Chr. – 2Koningen 25:2, 3)” (Wright, PSBA, zoals geciteerd in Willoughby, SBTT, 179)
Millar Burrows (What Mean These Stones?) is het eens met Wright: “In Lachis zijn bewijzen gevonden voor twee verwoestingen, niet lang na elkaar; ongetwijfeld zijn ze toe te schrijven aan Nebukadnessars invallen van 598 en 587 v. Chr. De nu beroemde Lachisbrieven werden gevonden in het puin van de tweede verwoesting.” (Burrows, WMTS, 107)
Albright vat de vraag naar de datering van de vondsten zo samen: “Starkeys heeft een nuttige schets van de ontdekking gegeven, de archeologische situatie waarin de ostraka gevonden werden toegelicht en ze vlak voor de uiteindelijke verwoesting van Lachis, aan het einde van Sedekia’s regering gedateerd. De feiten zijn zo duidelijk dat Torczyner zijn tegenwerpingen tegen deze datering heeft opgegeven, zodat ze nu door iedereen die de zaak bestudeerd heeft, wordt aanvaard.” (Albright, OHL, 11, 12)



