Voor het gemak werden de brieven genummerd. Haupert geeft een overzicht van de brieven II t/m VI: “In deze hele groep brieven verdedigt Hosaja zich voortdurend tegenover zijn meerdere, hoewel niet altijd duidelijk is waarvan hij beschuldigd wordt. Het is verleidelijk om te denken dat hij sympathiseert met de groep rond Jeremia die was voor onderwerping aan de Babyloniërs in plaats van verzet; maar daar zijn we natuurlijk niet zeker van.” (Haupert, LFFJ, 31)
Vervolgens gaat hij op enkele brieven in:
1E. Brief I
“Brief I … hoewel niet meer dan een lijst met namen, is van het grootste belang, omdat drie van de negen namen die erin voorkomen – Gemarja, Jaäzanja en Neria – in het Oude Testament alleen in de tijd van Jeremia voorkomen. Een vierde naam is Jeremia, die in het Oude Testament echter niet alleen gedragen wordt door de profeet Jeremia, en niet noodzakelijkerwijs naar hem verwijst. Een vijfde naam, die ook niet tot deze periode beperkt is, is Mattanja, waarin mensen die hun Bijbel lezen de naam van koning Sedekia voor zijn troonsbestijging zullen herkennen.” (Haupert, LFFJ, 31)
2E. Brief III
Haupert vervolgt: “In Brief III rapporteert Hosaja aan Jaos dat er een koninklijke delegatie op weg is naar Egypte, en dat een onderafdeling van deze groep naar zijn voorpost (of naar Lachis) gestuurd is om proviand, een verwijzing die rechtstreeks betrekking heeft op de intriges van de pro-Egyptische factie onder Sedekia. Van ongewoon belang is de verwijzing in dezelfde brief naar ‘de profeet’. Sommige schrijvers zijn er zeker van dat deze profeet Jeremia is. Dit is heel goed mogelijk, maar we kunnen het niet met zekerheid stellen en we moeten oppassen dat we het bewijs niet te ver oprekken.” (Haupert, LFFJ, 32)
3E. Brief IV
J. P. Free (Archaelogy and the Bible) zegt over de vaak genoemde Brief IV:
In Jeremia’s dagen, toen het Babylonische leger de ene na de andere stad in Juda innam (ongeveer 589-586 v. Chr.) krijgen we uit de Bijbel te horen dat de twee steden Lachis en Azeka nog niet gevallen waren (Jeremia 34:7). Een treffende bevestiging 49 van het feit dat deze twee steden het nog steeds volhielden, vinden we in de Lachisbrieven. In Brief nummer 4, geschreven door de legerofficier van een militaire buitenpost aan zijn commandant in Lachis, staat: “Wij zien steeds uit naar de signalen volgens alle aanwijzingen die mijn heer gegeven heeft, want Azeka zien wij niet.” Deze brief laat niet alleen zien hoe het net rond het land Juda steeds verder gesloten werd door Nebukadnessars leger, maar bewijst tevens de nauwe relatie tussen Lachis en Azeka, die ook in het boek Jeremia samen genoemd worden. (Free, ABH, 223)
Haupert bekijkt het van een andere kant: “De afsluitende opmerking in Brief IV geeft ons een intieme blik op de laatste dagen van het koninkrijk van Juda. Hosaja sluit af met: ‘Onderzoek, en (mijn heer) zal weten dat we uitkijken naar de vuursignalen van Lachis, volgens alle aanwijzingen die mijn heer gegeven heeft, want Azeka kunnen we niet zien.’ Deze opmerking doet ons onmiddellijk denken aan Jeremia 34:7).” (Haupert, LFFJ, 32)
Wright zegt erover: “Als Hosaja schrijft dat hij ‘Azeka niet kan zien’ bedoelt hij mogelijk dat die stad al gevallen is en geen signalen meer uitzendt. In elk geval zien we hier dat Juda een waarschuwingssysteem kende, waarschijnlijk met vuur of rook. De sfeer van de brieven tekent de bezorgdheid en de wanorde die heersen in een belegerd land. Voor de meerderheid van de brieven is een datering in de herfst van 589 (of 588) v. Chr. gesuggereerd.“ (Wright, PSBA, zoals geciteerd in Willoughby, SBTT, 179)
4E. Brief VI
Joseph Free wijst op de nauwe relatie tussen Brief IV en Jeremia’s geschriften:
J. L. Starkey vond (1935) een verzameling van achttien potscherven waarop verschillende militaire boodschappen geschreven waren door een legerofficier aan een hogere officier die gestationeerd was in Lachis. W. F. Albright heeft erop gewezen [“A Brief History of Judah from the Days of Josiah to Alexander the Great”, Biblical Archaeologist, deel 9, nr. 1, februari 1946, p.4] dat in een van deze brieven (nr. 6) een legerofficier klaagt dat de koninklijke beambten (sarim) rondschrijfbrieven hadden gestuurd die “de handen van het volk verzwakken”. De legerofficier die deze Lachisbrief schreef, gaf met deze uitdrukking het effect weer van het overdreven optimisme van de koninklijke ambtenaren, terwijl de beambten, naar wie verwezen wordt in Jeremia 38:4, deze uitdrukking op hun beurt gebruikt hadden voor het weergeven van het effect van Jeremia’s realistische profetie over de naderende val van Jeruzalem. De koninklijke beambten werden schuldig geacht aan hetzelfde gedrag dat ze Jeremia verweten. (Free, ABH, 222)
5E. Het zegel van Gedalja
John Elder wijst op een andere vondst bij Lachis, die nog meer bewijs levert voor wat de Bijbel over Lachis vertelt:
Er zijn duidelijke bewijzen dat het nabijgelegen stadsfort van Lachis binnen korte tijd twee keer tot de grond toe afgebrand is, samenvallend met de twee innamen van Jeruzalem. In Lachis werd een zegel van klei gevonden, met op de achterkant nog de vezels van de papyrus waaraan hij vastgezeten had. Er stond op: “Het eigendom van Gedalja die over het huis is.” We ontmoeten deze aanzienlijke persoon in 2Koningen 25:22, waar we lezen: “Over het deel van het volk dat van koning Nebukadnessar van Babylonië in Juda mocht blijven, stelde hij Gedalja … als gouverneur aan.” Elder, PID, 108, 109)



