Hier volgt een chronologisch overzicht van een aantal van de belangrijkste handschriftvondsten. Enkele factoren die bijdragen aan het bepalen van de leeftijd van een handschrift zijn:
1 Gebruikte materialen
2 Lettergrootte en vorm
3 Punctuatie
4 Tekstindeling
5 Versiering
6 Kleur van de inkt
7 Textuur en kleur van het perkament
(Geisler, GIB, 242-246)
- Het John Rylands manuscript (130 n. Chr., het oudste overgeleverde fragment van het Nieuwe Testament) ligt in de John Rylands Bibliotheek van Manchester in Engeland. “Vanwege de vroege datering en locatie (Egypte), op enige afstand van de overgeleverde plaats van herkomst (Klein-Azië), vormt dit gedeelte van het evangelie van Johannes een bevestiging voor het traditionele ontstaansmoment van het evangelie, rond het einde van de 1e eeuw.” (Geisler, GIB, 268)
Bruce Metzger spreekt van achterhaalde kritiek:
“Was dit fragmentje in het midden van de vorige eeuw bekend geweest, dan had die stroming van nieuwtestamentische tekstkritiek die geïnspireerd werd door de briljante Tübinger professor Ferdinand Christian Baur niet kunnen beweren dat het vierde evangelie pas rond het jaar 160 tot stand kwam.” (Metzger, TNT, 39) - De Bodmer Papyrus II (150-200 n. Chr.) werd gekocht in de jaren 1950 en ’60 van een handelaar in Egypte en ligt in de Bodmer Library of World Literature; het bevat het grootste deel van het Johannesevangelie. Na de Chester Beatty manuscripten (zie onder) was de aankoop van de Bodmercollectie door de bibliotheek voor wereldliteratuur in Cologny, bij Geneve, de belangrijkste ontdekking van nieuwtestamentische papyri. P66, die dateert van ongeveer 200 of eerder n. Chr., bevat 104 vellen van Johannes 1:1 – 6:11; 6:35b – 14:26; en fragmenten van veertig andere pagina’s: Johannes 14 – 21. De tekst is een vermenging van het Alexandrijnse en westerse type, en tussen de regels staan zo’n twintig wijzigingen die zonder uitzondering bij de westerse familie behoren. (Geisler, GIB, 390) In zijn artikel: Zur Datierung des Papyrus Bodmer II (P66) in ‘Anzeiger der Österreichischen Akademie der Wissenschaften’, phil.-hist. Kl. nr. 4, 1960, p.12033, “dateert Herbert Hunger, de directeur van de papyricollectie van de Staatsbibliothek Wien, P66 eerder in het midden of zelfs in de eerste helft van de tweede eeuw; zie zijn artikel.” (Metzger, TNT, 39, 40)
“P72, ook een deel van de collectie, is de oudste kopie van de brief van Judas en de twee brieven van Petrus. P75., een ander vroeg-Bijbels manuscript, aangekocht door M. Bodmer, is een losbladig boek met Lucas en Johannes.… De redacteuren, Victor Martin en Rodolphe Kasser, dateren deze kopie tussen 175 en 225. Het is dus de oudste bekende kopie van het evangelie naar Lucas en een van de oudste van het evangelie naar Johannes.” (Metzger, TNT, 41) Daarom omschrijft Metzger haar als “de belangrijkste ontdekking van de nieuwtestamentische handschriften sinds de aankoop van de Chester Beatty-papyri.” (Metzger, TNT, 39, 40) - Chester Beatty-papyri (200 n. Chr.). De handschriften werden in de jaren dertig van de negentiende eeuw gekocht van een handelaar in Egypte en liggen in het C. Beatty-museum in Dublin. Een gedeelte is eigendom van de universiteit van Michigan. Deze collectie bevat papyruscodices, waarvan er drie grote gedeelten van het Nieuwe Testament bevatten. (Bruce BP, 182) In The Bible and Modern Scholarship schrijft Sir Frederick Kenyon: “Het nettoresultaat van deze ontdekking – verreweg de belangrijkste sinds de ontdekking van de Sinaïticus – is dat de kloof tussen de oudste handschriften en de traditionele datering van de nieuwtestamentische boeken in feite zo versmald is dat hij geen enkele rol meer hoeft te spelen in debatten over hun authenticiteit. Geen enkel oud boek heeft zulke vroege en overvloedige getuigen voor zijn tekst en geen enkele onbevooroordeelde geleerde zou ontkennen dat de tekst die ons is overgeleverd wezenlijk betrouwbaar is.” (Kenyon, BMS, 20) (Een gedetailleerde opsomming van papyri is te vinden in de Griekse Nieuwe Testamenten die zijn uitgegeven door de Wereldbond van Bijbelgenootschappen (UBS) en Nestle-Aland, beide gedrukt in Stuttgart.)
- Diatessaron staat voor “een harmonisering van vier delen” Het Griekse dia Tessaron betekent letterlijk: “door vier”. (Bruce, BP, 195) Het was een evangeliënharmonie van de hand van Tatianus (rond 160 n. Chr.).
Eusebius schrijft in zijn Kerkgeschiedenis, IV, 29 Loeb ed.,1, 397: “Hun voormalige aanvoerder Tatianus vervaardigde een soort van combinatie en verzameling van de evangeliën, en noemde deze DE DIATESSARON, en deze is op verschillende plaatsen nog steeds in gebruik. “ Men gelooft dat Tatianus, een Assyrische christen, de eerste was die een evangeliënharmonie samenstelde. Een klein deel ervan is tot nu toe bewaard gebleven. (Geisler, GIB, 318, 319) - De Codex Vaticanus (350 n. Chr.) ligt in het British Museum. Dit handschrift, dat bijna het hele Nieuwe Testament bevat en meer dan de helft van het Oude Testament, werd in 1859 ontdekt door dr. Konstantin Von Tischendorf in het Katharinaklooster in het Sinaïgebergte. Het werd door het klooster aan de Russische tsaar aangeboden en werd met Kerst 1933 door de Britse regering en het Britse volk voor 100.000 pond gekocht van de Sovjetunie.
Het verhaal van de ontdekking van dit handschrift is fascinerend. Bruce Metzger vertelt:
In 1844, toen hij nog geen dertig was, begon Tischendorf, privaatdocent aan de universiteit van Leipzig, een grote reis door het Nabije Oosten, op zoek naar Bijbelmanuscripten. Tijdens een bezoek aan het Katharinaklooster bij de berg Sinaï viel zijn oog op een aantal perkamentvellen in een afvalbak met papier dat bestemd was voor het aansteken van de oven van het klooster. Bij nadere beschouwing bleken ze deel uit te maken van een exemplaar van de Septuaginta-uitgave van het Oude Testament, in het Grieks geschreven in het unciaalschrift. Hij viste niet minder dan drieënveertig vellen uit de afvalbak, en een monnik merkte terloops op dat er al twee bakken vol met dergelijke afgedankte vellen de oven in gegaan waren! Later, toen Tischendorf andere gedeelten van dezelfde codex te zien kreeg (met heel Jesaja en 1 en 2 Maccabeeën) waarschuwde hij de monniken dat die dingen veel te waardevol waren om op te stoken. De drieënveertig vellen die hij mocht houden, bevatten gedeelten van 1Kronieken, Jeremia, Nehemia en Ester, en na zijn terugkeer in Europa gaf hij ze in bewaring bij de universiteitsbibliotheek van Leipzig, waar ze nog steeds zijn. In 1846 publiceerde hij de inhoud ervan, onder de naam codex Frederico-Augustanus (ter ere van de koning van Saksen, Frederick Augustus, Tischendorfs vorst en beschermheer). (Metzger, TNT, 43)
Een tweede bezoek van Tischendorf aan het klooster, in 1853, leverde geen nieuwe manuscripten op, omdat zijn enthousiasme over de manuscripten tijdens zijn bezoek van 1844 de monniken achterdochtig gemaakt had. Hij bracht een derde bezoek in 1859, met een aanbeveling van de tsaar van Rusland, Alexander I. Kort voor zijn vertrek gaf Tischendorf de beheerder van het klooster een door hem in Leipzig verzorgde uitgave van de Septuaginta, waarop de beheerder opmerkte dat hij al een exemplaar van de Septuaginta bezat, en uit een kast in zijn cel een in rood doek gewikkeld handschrift haalde. Daar, voor de ogen van de stomverbaasde geleerde, lag de schat die hij zo graag had willen zien. Tischendorf verborg zijn gevoelens en vroeg achteloos of hij het die avond verder mocht bestuderen. Dat werd toegestaan, en nadat hij naar zijn kamer was teruggekeerd bleef Tischendorf de hele nacht op, blij als hij was om het handschrift te kunnen bestuderen – want, zoals hij in zijn dagboek verklaarde (waarin hij als geleerde in het Latijn schreef) quippe dormire nefas videbatur (“het leek werkelijk heiligschennis om te gaan slapen!”) Hij ontdekte al snel dat het document nog meer bevatte dan hij gehoopt had; want niet alleen het merendeel van het Oude Testament was aanwezig, maar ook het Nieuwe Testament was intact en in uitstekende staat, en bovendien vond hij twee vroegchristelijke werken uit de tweede eeuw, de brief van Barnabas (daarvoor alleen bekend in een heel slechte Latijnse vertaling) en een groot deel van de Herder van Hermas, waarvan tot dusverre alleen de naam bekend was). (Metzger, TNT, 44) - De Codex Alexandrinus (400 n. Chr.) ligt in het British Museum. Volgens de Encyclopedia Brittanica is hij geschreven in Egypte, in het Grieks. Hij bevat hoegenaamd de hele Bijbel.
- De Codex Ephraemi (400 n. Chr.) ligt in de Bibliotheque Nationale de Paris. In de Encyclopedia Brittanica staat dat “hij door zijn 5e-eeuwse oorsprong en de bewijzen die hij levert van belang is voor de tekst van bepaalde gedeelten van het Nieuwe Testament.” (EB, deel 3, 579; Bruce, BP, 183) Alle boeken zijn vertegenwoordigd in het handschrift, behalve 2Tessalonicenzen en 2Johannes. “Dit vijfde-eeuwse document is een zogenaamde palimpsest. (Een palimpsest is een manuscript waarin het oorspronkelijke schrift is uitgewist en vervolgens overschreven.) Met chemicaliën en ingespannen pogingen kan een geleerde het oorspronkelijke schrift door de er overheen geschreven tekst lezen.” (Comfort, OB, 181)
- De Codex Bezae (na 450 n. Chr.) ligt in de bibliotheek van Cambridge en bevat de evangeliën en Handelingen, niet alleen in het Grieks maar ook in het Latijn.
- De Codex Washingtonensis (of Freericanus) (ca. 450 n. Chr. ) bevat de vier evangeliën . (Greenlee, INTTC, 39) Hij ligt in de Smithsonian Institution in Washington D.C.
- De codex Claromontanus (500 n. Chr.) bevat de Paulinische brieven. Het is een tweetalig manuscript.



