1B. Voordeel van de twijfel

Over deze toets schrijft John Warwick Montgomery dat literatuurcritici nog steeds de uitspraak van Aristoteles volgen, dat “het voordeel van de twijfel moet worden gegeven aan het geschrift en niet door de onderzoeker worden opgeëist”. (Montgomery, EA, 29)

Vandaar dat men “moet luisteren naar wat het onderzochte geschrift te zeggen heeft, en geen bedrog of onjuistheid veronderstellen, tenzij de schrijver zichzelf diskwalificeert door tegenstrijdigheden of bekende feitelijke onnauwkeurigheden”.(Montgomery, EA, 29)

Horn werkt dit uit en zegt:

Overweeg eens wat er moet worden aangetoond met betrekking tot een “moeilijkheid” voordat die kan worden overgeplaatst naar de categorie van geldige argumenten tegen de leer. Gegarandeerd meer dan alleen de schijn van tegenspraak. Ten eerste moeten we er zeker van zijn dat we het gedeelte goed begrepen hebben, de strekking waarin het woorden of getallen gebruikt. Ten tweede, dat we beschikken over alle informatie die in deze kwestie voorhanden is. Ten derde, dat er onmogelijk meer licht op de zaak geworpen kan worden door voortschrijdende kennis, tekstonderzoek, archeologie,  enz….

Moeilijkheden zijn geen tegenwerpingen. Onopgeloste problemen zijn niet noodzakelijkerwijs fouten. Dit zeg ik niet om moeilijkheden weg te moffelen, maar om ze in hun perspectief te zien. Moeilijkheden zullen aangepakt moeten worden en problemen zullen ons moeten aanzetten tot het zoeken naar opheldering; maar tot op het moment dat we een totaal en definitief beeld van een zaak hebben, zijn we zeker niet in de positie om te zeggen: “Dit is een bewezen onjuistheid, een onaanvechtbare tegenwerping tegen een onfeilbare Bijbel.”  Het is algemeen bekend dat talloze “tegenwerpingen” sinds het begin van deze eeuw volkomen ontkracht zijn. (Horn, BTSI, 86, 87)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate