De eerste-eeuwse Romein Tacitus wordt gezien als een van de meest nauwkeurige historici uit de oudheid. Hij doet verslag van de grote brand van Rome, waarvan sommigen de schuld legden bij keizer Nero:
Om van dit gerucht af te zijn, beschuldigde Nero vervolgens een groep mensen, door de bevolking christenen genoemd, die gehaat werden vanwege hun gruweldaden, en deed hun de meest verfijnde folteringen ondergaan. Christus, op wie hun naam terugging, had tijdens de regering van Tiberius de doodstraf gekregen van een van onze procurators, Pontius Pilatus, en een uiterst verderfelijk bijgeloof was daardoor tijdelijk de kop ingedrukt. Het was echter opnieuw uitgebroken, niet alleen in Judea, de bakermat van dit kwaad, maar zelfs in Rome, waar alles wat afschuwelijk en schandelijk is uit alle hoeken van de wereld samenstroomt en aanhang vindt. (Tacitus, A, 15.44)
Het “verderfelijke bijgeloof” waarnaar Tacitus verwijst, is hoogstwaarschijnlijk de opstanding van Christus. Hetzelfde geldt voor een aanhaling van Suetonius die hier volgt.



