Geisler vat samen:
De primaire bronnen voor het leven van Christus zijn de vier evangeliën. Er bestaan echter tamelijk uitgebreide eerste-eeuwse verslagen uit niet-christelijke bron die de evangelieverslagen aanvullen en bevestigen. Ze zijn hoofdzakelijk van Griekse, Romeinse, Joodse en Samaritaanse herkomst. Kort gezegd laten ze ons weten dat:
(1) Jezus uit Nazaret kwam
(2) Hij een wijs en deugdzaam leven leidde
(3) Hij op het Paasfeest in Palestina gekruisigd werd onder Pontius Pilatus tijdens de regering van Tiberius, en gezien werd als de koning van de Joden
(4) zijn discipelen geloofden dat Hij drie dagen later uit de doden werd opgewekt
(5) zijn vijanden erkenden dat Hij ongebruikelijke dingen deed die zij ‘toverij’ noemden
(6) zijn kleine groepje discipelen zich snel vermenigvuldigde, zelfs tot in Rome toe
(7) zijn discipelen tegen polytheïsme waren, een goed zedelijk leven leidden, en Christus als God aanbaden.Deze omschrijving bevestigt het beeld van Christus dat geschilderd wordt in het Nieuwe Testament. (Geisler, BECA, 384-385)
Habermas concludeert dat “oude buiten-Bijbelse bronnen een verrassende hoeveelheid details geven, zowel over het leven van Jezus als over het karakter van het vroege christendom.” En hij voegt daar een punt aan toe dat velen over het hoofd zien: “We moeten ons realiseren dat het heel bijzonder is dat we enkel en alleen op basis van ‘seculiere’ historische bronnen een grove schets kunnen geven van het merendeel van de voornaamste feiten uit Jezus’ leven. Dit is veelbetekenend.” (Habermas, HJ, 224)
F. F. Bruce legt uit dat het “verrassend is hoe weinig geschriften uit deze jaren, relatief gezien, zijn overgeleverd van het soort waarvan men ook maar enigszins zou verwachten dat ze Christus zouden noemen. (Voor het ogenblik sluit ik de brieven van Paulus en verschillende andere nieuwtestamentische geschriften uit.)” (Bruce, JCO, 17)
Michael Wilkins en J.P. Moreland concluderen dat we, zelfs wanneer we geen enkel christelijk geschrift hadden, “in staat zouden zijn uit niet-christelijke geschriften zoals Josefus, de Talmoed, Tacitus, en Plinius de Jonge, te concluderen dat (1) Jezus een Joodse leraar was; (2) veel mensen geloofden dat Hij genezingen en duiveluitdrijvingen verrichtte; (3) Hij verworpen werd door de Joodse leiders; (4) Hij gekruisigd werd onder Pontius Pilatus tijdens de regering van Tiberius; (5) ondanks zijn schandelijke dood zijn volgelingen, die geloofden dat hij nog steeds leefde, zich tot buiten Palestina verspreidden zodat ze in 64 n. Chr. massaal in Rome woonden (6) aan het begin van de tweede eeuw mensen van allerlei slag uit de steden en van het platteland – mannen en vrouwen, slaven en vrijen – Hem als God aanbaden. (Wilkins, JUF, 222)
Voor verdere studie
J. N. D. Anderson: Christianity: The Witness of History
F. F. Bruce: The New Testament Documents: Are They Reliable?
F. F. Bruce: Jesus and Christian Origins Outside the New Testament
Eusebius: Ecclesiastical History, C. F. Cruse, vertaling
Flavius Josefus: Antiquities of the Jews
Josh McDowell and Bill Wilson: He Walked Among Us
G. Habermas: The Historical Jesus ,hoofdstuk 9
Lucianus van Samosata: The Works of Lucian of Samosata
Origen: Contra Celsum
Plinius de Jonge: Brieven
A. Roberts and I. Donaldson, eds.: The Ante-Nicene Fathers
Suetonius: Life of Claudius
Suetonius: Life of Nero
Tacitus: Annalen



