3B. De stenen schreeuwen: bewijzen uit de archeologie

Archeologie, een betrekkelijke nieuwkomer onder de natuurwetenschappen, heeft een opwindende en dramatische bevestiging geleverd voor de nauwkeurigheid van de Bijbel. Hele boeken zijn niet dik genoeg om alle vondsten die het vertrouwen in de historische betrouwbaarheid van de Bijbel ondersteunen, te bevatten. Hier volgen een aantal vondsten van vooraanstaande archeologen, met hun opinie over de implicaties van deze vondsten.

De bekende Joodse archeoloog Nelson Glueck schreef: “We kunnen categorisch beweren dat geen enkele archeologische ontdekking ooit in tegenspraak is geweest met een vermelding in de Bijbel.” Hij sprak verder over “het bijna ongelooflijk accurate historische geheugen van de Bijbel,  en vooral waar dat wordt gestaafd door de archeologische feiten.” (Glueck, RDHN, 31)

W. F. Albright voegt toe: “Het overdreven scepticisme tegenover de Bijbel van belangrijke achttiende- en negentiende-eeuwse historische stromingen, die nog steeds af en toe opduiken, wordt steeds ongeloofwaardiger. De ene na de andere ontdekking bevestigt de nauwkeurigheid van talloze details, en leidt tot een groeiende waardering van de Bijbel als historische bron.” (Albright, AP, 127, 128)

Later schrijft hij: “Archeologische vondsten van de vorige generatie in Egypte, Syrië en Palestina hebben veel bijgedragen aan de vaststelling van de uniciteit van het vroege christendom als historisch fenomeen.” (Albright, AP, 248)

John Warwick Montgomery stelt een kenmerkend probleem van vele hedendaagse geleerden aan de orde: “Onderzoeker Thomas Drobena van het [Amerikaanse] Institute [of Holy Land Studies] heeft erop gewezen dat waar archeologie en Bijbel op gespannen voet lijken te staan, het bijna altijd een kwestie van datering is, het zwakste punt van de hedendaagse archeologie en tegelijk datgene waarbij wetenschappelijke apriori’s en cirkelredeneringen in de plaats komen van een grondige empirische analyse.” (Montgomery, EA, 47, 48)

Merrill Unger zegt: “De rol van de archeologie in het nieuwtestamentisch onderzoek (en in dat van het Oude Testament) in het bevorderen van de wetenschap, het brengen van evenwicht in de kritische theorie, het illustreren, verhelderen, aanvullen en verifiëren van historische en culturele achtergronden, vormt het enige lichtpunt in de toekomst van de kritiek op de Heilige tekst.” (Unger, AOT, 25, 26)

Millar Burrows van Yale constateert: “De archeologie heeft in veel gevallen de denkbeelden van de moderne critici weerlegd. Ze heeft in een aantal gevallen aangetoond dat deze denbeelden berusten op onjuiste aannamen en onrealistische, kunstmatige historische ontwikkelingsschema’s.” (Burrows, WMTS, 291)

F. F. Bruce merkt op: “Waar Lucas beschuldigd is van onnauwkeurigheid, en zijn nauwkeurigheid is aangetoond door inscripties, is het geoorloofd te zeggen dat de archeologie het nieuwtestamentische verhaal heeft bevestigd.” (Bruce, ACNT, zoals geciteerd in Henry, RB, 331)

Bruce voegt eraan toe “De dienst die de archeologie bewezen heeft aan de studie van het Nieuwe Testament is het invullen van de historische achtergrond waartegen we het verhaal met meer begrip en waardering kunnen lezen. En deze achtergrond is een eerste-eeuwse achtergrond. Het nieuwtestamentische verhaal past gewoon niet in een tweede-eeuwse achtergrond.” (Bruce, ACNT, zoals geciteerd in Henry, RB, 331)

William Albright vervolgt: “Naarmate de kritische studie van de Bijbel meer en meer beïnvloed wordt door de rijkdom aan nieuw materiaal uit het oude Nabije Oosten, zullen we een gestage groei in  respect opmerken voor het historische belang van op dit moment genegeerde of geminachte passages en details in het Oude en Nieuwe Testament.” (Albright, FSAC, 81)

Burrows stelt de oorzaak van dit overdreven ongeloof aan de kaak: “Het overdreven scepticisme van vele vrijzinnige theologen vloeit niet voort uit een zorgvuldige evaluatie van de beschikbare gegevens, maar uit een enorme vooringenomenheid tegen het bovennatuurlijke.” (Burrows, zoals geciteerd in Vos, CITB, 176)

De Yalese archeoloog voegt aan zijn bovenstaande opmerking toe: “Over het algemeen heeft het archeologische werk het vertrouwen in de betrouwbaarheid van het Schriftgetuigenis echter zonder meer versterkt. Meer dan eens hebben archeologen hun respect voor de Bijbel zien toenemen door de ervaring van een opgraving in Palestina.” (Burrows, WMTS, 1) “Over het algemeen versterkt het bewijs dat de archeologie ons tot dusverre geleverd heeft, vooral in de vorm van aanvullende en oudere handschriften van de boeken van de Bijbel, ons vertrouwen in de nauwkeurigheid waarmee de tekst door de eeuwen heen is overgedragen.”  (Burrows, WMTS, 42)

Sir William Ramsay wordt beschouwd als een van de grootste archeologen die ooit geleefd heeft. Hij maakte deel uit van de Duitse Historische School in het midden van de 19e eeuw. Hij was er dan ook vast van overtuigd dat het boek Handelingen een voortbrengsel was uit het midden van de 2e eeuw n. Chr. Voor een topografische studie van Klein-Azië moest hij de geschriften van Lucas bestuderen. Het overstelpende bewijs dat hij daarin aantrof dwong hem om al zijn overtuigingen te herzien. Hij verwees hiernaar toen hij opmerkte: “Ik kan eerlijk zeggen dat ik dit onderzoek ben ingegaan zonder enig vooroordeel ten gunste van de conclusie die ik nu tegenover de lezer zal trachten te verantwoorden. Integendeel, ik begon eraan met een kritische geest, omdat ik tot dusverre zeer overtuigd was van het vernuft en de schijnbare volledigheid van de theorie van Tübingen. Het lag toen niet in mijn levenslijn om het onderwerp in detail te bestuderen; maar onlangs kwam het Boek der Handelingen op mijn weg als een autoriteit op het gebied van de topografie, de oudheden en de samenleving van Klein-Azië. Gaandeweg begon het tot me door te dringen dat het verhaal in allerlei details blijk gaf van een verbazingwekkende waarheid. Het kwam er op neer dat ik van start ging met het vaststaande idee dat het werk een tweede-eeuwse compositie was, en er nooit van was uitgegaan dat het betrouwbare informatie over de eerste eeuw bevatte, maar het steeds meer begon te zien als een nuttige bondgenoot in allerlei onduidelijke en ingewikkelde zaken.” (Blaiklock, LAENT, 36 – geciteerd uit Ramsays boek: St.Paul the Traveler and the Roman Citizen)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate