Aan Lucas’ betrouwbaarheid als historicus valt niet te twijfelen. Unger vertelt ons dat de authenticiteit van de evangeliën, en in het bijzonder dat van Lucas, bevestigd wordt door de archeologie. Met Ungers woorden: “De Handelingen van de Apostelen wordt nu met algemene instemming gezien als een geschrift van Lucas, stammend uit de eerste eeuw, en het werk van een nauwgezet historicus die over het algemeen zorgvuldig met zijn bronnen omging.” (Unger, ANT, 24)
Over Lucas’ bekwaamheid als historicus concludeert Sir William Ramsay na een studie van dertig jaar: “Lucas is een eersteklas historicus; niet alleen zijn feitelijke beweringen zijn betrouwbaar… deze schrijver verdient een plaats onder de allergrootste historici.” (Ramsay, BRDTNT, 222)
Ramsay voegt eraan toe: “Lucas’ geschiedenis is ongeëvenaard in betrouwbaarheid.” (Ramsay, SPTRC, 81)
Ramsay sloot overtuigend en definitief verschillende alternatieven uit. De archeologische bewijzen tonen aan dat het Nieuwe Testament de omstandigheden in de tweede helft van de eerste eeuw n. Chr. schildert, en niet later. Historisch gezien is het van het grootste belang dat dit nu afdoende aangetoond is. De externe feiten worden door de schrijver van Handelingen in alle opzichten zo zorgvuldig en nauwkeurig beschreven als alleen een tijdgenoot gekund had.
Er is een tijd geweest dat men het er over eens was dat Lucas totaal de plank missloeg met de gebeurtenissen die hij schilderde rond de geboorte van Jezus (Lucas 2:1-3). Critici beweerden dat er geen volkstelling geweest was, dat Quirinius in die tijd geen gouverneur van Syrië was, en dat niet iedereen naar de stad van zijn voorouders moest. (Elder, PID, 159, 160; Free, ABH, 285)
Maar ten eerste tonen archeologische vondsten aan dat de Romeinen inderdaad een belastingadministratie hadden en om de veertien jaar een volkstelling hielden. Deze procedure was in gang gezet door Augustus, en de eerste vond in 23-22 v. Chr. of 9-8 v. Chr. plaats. De laatste is waarschijnlijk die waar Lucas naar verwijst.
Ten tweede hebben we bewijzen voor het feit dat Quirinius rond 7 v. Chr. gouverneur over Syrië was, gebaseerd op een in gevonden Antiochië inscriptie die dit ambt aan hem toeschrijft. Als gevolg van deze vondst wordt nu verondersteld dat hij tweemaal gouverneur was – één keer in 7 v. Chr., en de andere keer in 6 n. Chr. (het jaartal waar Josefus over spreekt). (Elder, PID, 160)
Ten slotte, wat de inschrijving betreft, een in Egypte gevonden papyrus geeft de volgende instructies voor de uitvoering van een volkstelling: “Vanwege de naderende volkstelling is het noodzakelijk dat allen die om welke redenen ook van huis weg zijn zich onmiddellijk klaarmaken om terug te keren naar hun eigen bestuursregio zodat deze de gezinsregistratie voor de inschrijving kan uitvoeren, en ieder zich bevindt op de door hem bewerkte gronden.” (Elder, POD, 159, 160; Fee, ABH, 285)
Geisler vat het probleem en de oplossing in de vertaling van de Griekse tekst als volgt samen:
De bewering dat Augustus een telling van het hele rijk liet uitvoeren tijdens het bewind van zowel Quirinius als Herodes brengt diverse problemen met zich mee. Ten eerste bestaat er geen verslag van deze telling, maar inmiddels weten we dat er in Egypte, Gallië en Cyrene geregeld volkstellingen werden gehouden. Het ligt voor de hand dat de betekenis van Lucas is dat er op verschillende momenten door het hele rijk heen volkstellingen werden gehouden, en dat Augustus hiermee begonnen is. De tegenwoordige tijd die Lucas gebruikt is een sterke aanwijzing dat dit als een herhaalde gebeurtenis moet worden opgevat. Quirinius hield inderdaad een volkstelling, maar dat was in 6 n. Chr., te laat voor Jezus’ geboorte, en Herodes stierf voordat Quirinius gouverneur werd.
Was Lucas in de war? Nee, want in Handelingen 5:37 noemt hij de latere telling van Quirinius. Het lijkt er meer op dat Lucas de volkstelling in Herodes’ tijd onderscheidt van de bekendere telling van Quirinius: “Deze telling vond plaats voordat Quirinius gouverneur van Syrië werd.” Er zijn verschillende nieuwtestamentische parallellen voor deze vertaling. (Geisler, BECA, 46-47)
Aanvankelijk waren archeologen van mening dat Lucas’ suggestie dat Lystra en Derbe in Lykaonië lagen, en Ikonium niet (Handelingen 14:6), onterecht was. Ze baseerden hun overtuiging op geschriften van Romeinen zoals Cicero, die aangaf dat Ikonium in Lykaonië lag. Dus, zeiden archeologen, het boek Handelingen is niet betrouwbaar. Maar in 1910 vond Sir William Ramsay een monument dat aantoonde dat Ikonium een stad in Frygië was. Latere ontdekkingen bevestigen dit. (Free, ABH, 317)
Een van de historische verwijzingen van Lucas is die naar Lysanias, de tetrarch van Abilene, die in Syrië en Palestina regeerde (Lucas 3:1) aan het begin van de bediening van Johannes de Doper in 27 n. Chr. De enige Lysanias die bekend was bij de oude historici was degene die in 36 v. Chr. vermoord werd. Maar een inscriptie, gevonden in Abila, bij Damascus, spreekt over een “vrijgemaakte slaaf van Lysanias de tetrarch” in is gedateerd tussen 14 en 29 n. Chr. (Bruce, ACNT, zoals geciteerd in Henry, RB, 321)
In zijn brief aan de Romeinen, geschreven vanuit Korinte, maakt Paulus melding van Erastus, de stadsrentmeester (Romeinen 16:23). Tijdens de opgravingen van Korinte in 1929 werd een bestrating gevonden waarop stond: ERASTVS PRO:AED:S:P:STRAVIT (“Erastus, beheerder van de openbare gebouwen, heeft deze bestrating op eigen kosten laten leggen.”) Volgens Bruce lag de bestrating daar hoogstwaarschijnlijk al in de eerste eeuw n. Chr., en kan de schenker heel goed de man zijn over wie Paulus het heeft. (Bruce, NTC, 95; Vos, CITB, 185)
In Korinte is ook een stukje van een inscriptie gevonden, die naar men denkt de woorden “Synagoge van de Hebreeërs” bevatte. Het is denkbaar dat dit opschrift boven de deur stond van de synagoge waar Paulus sprak (Handelingen 18:4-7). Een andere inscriptie noemt de “vleeshal” waarover Paulus spreekt in 1Korintiërs 10:25. Als gevolg van deze vondsten zijn de reizen van Paulus nu zorgvuldig te traceren. (Bruce, NTD, 95; Albright, RDBL, 118).
Geisler onthult: “In het totaal noemt Lucas tweeëndertig landen, vierenvijftig steden en negen eilanden, zonder vergissingen.” (Geisler, BECA 47)
Lucas schrijft over de opstand in Efeze, en vertelt over een volksvergadering (ecclesia) in het theater (Handelingen 19:23-29). Het feit is dat deze hier inderdaad bijeenkwam, zoals blijkt uit een inscriptie over zilveren beelden van Artemis die geplaatst dienden te worden “in het theater tijdens de hele zitting van de Ecclesia.” Het opgegraven theater bleek plaats te bieden aan vijfentwintigduizend personen. (Bruce, ACNT, zoals geciteerd in Henry, RB, 326)
Lucas vertelt ook dat er een volksopstand uitbrak in Jeruzalem omdat Paulus een heiden meenam in de tempel (Handelingen 21:28). Er zijn inscripties gevonden, in het Grieks en het Latijn: “Het is alle vreemdelingen verboden zich binnen de afscheiding rond de tempel en de voorhof te bevinden. Wie hierop betrapt wordt is persoonlijk verantwoordelijk voor zijn daaruit voortvloeiende dood.” Alweer een bewijs voor Lucas’ gelijk! (Bruce, ACNT, zoals geciteerd in Henry, RB, 326)
Er was ook twijfel aan Lucas’ gebruik van bepaalde woorden. Lucas noemt Filippi een “deel” van Macedonië. Hij gebruikt het Griekse woord meris, dat vertaald wordt met “deel” of “district”. F. J. A. Hort geloofde dat Lucas zich met dit woordgebruik vergiste. Hij zei dat meris naar een “gedeelte” verwees, niet naar een “district”. Archeologische opgravingen hebben echter aangetoond dat juist dit woord meris gebruikt werd om de delen van het district te beschrijven. Zo heeft de archeologie dus opnieuw de nauwkeurigheid van Lucas aangetoond. (Free, ABH, 320)
Lucas werd vaker beschuldigd van verkeerd woordgebruik: hij zou niet technisch correct zijn in zijn aanduiding van de bestuurders van Filippi als praetors. Volgens de” geleerden” werd de stad bestuurd door twee duumuirs. Maar zoals gebruikelijk had Lucas gelijk. Vondsten hebben aangetoond dat de titel praetor gevoerd werd door de magistraten van een Romeinse kolonie. (Free, ABH, 321) Ook zijn keus voor het woord proconsul als de titel van Gallio (Handelingen 18:12) is correct, wat blijkt uit de inscriptie in Delphi die onder andere zegt: “Zoals Lucius Junius Gallio, mijn vriend, en de proconsul van Achaje …” (Vos, CITB, 180)
Aan de hand van de inscriptie in Delphi (52 n. Chr.) kunnen we de periode van Paulus’ anderhalf jaar durende bediening in Korinte dateren. Uit andere bronnen weten we dat Gallio in dienst trad op 1 juli, dat hij maar één jaar proconsul was en dat dit jaar overlapte met Paulus’ werk in Korinte. (Bruce, ACNT, zoals geciteerd in Henry, RB, 324)
Lucas geeft Publius, de hoofdman in Malta, de titel “eerste man van het eiland” (Handelingen 28:7). Opgegraven inscripties betitelen hem inderdaad als “eerste man”. (Bruce, ACNT, zoals geciteerd in Henry, RB, 325)
Weer een ander geval is zijn gebruik van politarches als aanduiding van het stadsbestuur van Tessalonica (Handelingen 17:6). Aangezien politarch niet voorkomt in de klassieke literatuur, veronderstelde men dat Lucas ernaast zat. Er zijn echter zo’n negentien inscripties gevonden die deze titel wel gebruiken. Interessant genoeg hebben vijf ervan betrekking op Tessalonica. (Bruce, ACNT, zoals geciteerd in Henry, RB, 325) Een van deze inscripties, met de namen van zes politarchen van Tessalonica, werd ontdekt in een Romeinse boog in deze stad. (360)
Colin Hemer, een bekende historicus, geeft talloze archeologische en historische bevestigingen van Lucas’ nauwkeurigheid in zijn boek The Book of Acts in the Setting of Hellenistic Historiy. Hieronder volgt een gedeeltelijke samenvatting van zijn uitgebreide, gedetailleerde, verslag. (Hemer, BASHH, 104-107)
- Specialistische details, die niet algemeen bekend waren behalve aan een onderzoeker uit die tijd, zoals Lucas, die veel reisde. Hieronder vallen exacte titels van gezagsdragers, benamingen van legerafdelingen, en informatie over de voornaamste reisroutes.
- Details waarvan archeologen weten dat ze juist zijn, maar die ze niet aan een bepaalde tijdsperiode kunnen verbinden. Sommige daarvan zullen alleen bekend geweest zijn aan een schrijver die deze landstreken bezocht had.
- Overeenkomst van de jaartallen van bekende koningen en gouverneurs met de chronologie van het verhaal. 2
- Feiten die pasten in de tijd van Paulus en zijn kerkelijke tijdgenoten, maar niet bij een eerdere of latere datum.
- “Toevallige overeenkomsten” tussen Handelingen en de Paulinische brieven.
- Interne samenhang in Handelingen.
- Terloopse geografische verwijzingen die getuigen van vertrouwdheid met wat algemeen bekend was.
- Verschillende formuleringen in Handelingen die getuigen van de diverse bronnen die hij raadpleegde.
- Bijzonderheden in de keuze van (bijvoorbeeld theologische) details, die verklaarbaar zijn in de context van wat nu bekend is over het leven van de kerk van de eerste eeuw.
- Materie waarvan de indringendheid suggereert dat de schrijver een recente ervaring weergeeft en niet bezig was met het modelleren of redigeren van een lang geleden geschreven tekst.
- Culturele of idiomatische zaken waarvan we nu weten dat ze typisch waren voor de sfeer van de eerste eeuw.
A. N. Sherwin-White, een deskundige op het gebied van de oudheid, zegt instemmend: “De historiciteit van Handelingen is op verpletterende wijze bevestigd. … Iedere poging om de fundamentele historiciteit ervan te verwerpen lijkt nu ongerijmd. Voor oudheidkundigen spreekt dit allang vanzelf”. (Sherwin-White, RSRLNT, 189)
Is het een wonder dat E. M. Blaiklock, hoogleraar klassieke talen aan de universiteit van Auckland, tot de conclusie komt dat “Lucas een uitmuntend geschiedschrijver is, van hetzelfde kaliber als de grote schrijvers van de Grieken.”? (Blaiklock, AA, 89)



