Geisler zegt hierover:
In 1878 werd in Nazaret een stenen plaquette gevonden waarop een decreet van keizer Claudius (41-44 n. Chr.) was gegraveerd, dat het verboden was om graven te verstoren of lichamen uit te graven of te verplaatsen. Een dergelijk decreet was niet ongewoon, maar het is verrassend dat “de overtreder ter dood zal worden veroordeeld wegens grafschending”. (Hemer, BASHH, 155). Andere aankondigingen stelden een boete in het vooruitzicht, maar doodstraf voor grafverstoring? Een mogelijke verklaring is dat Claudius, die tijdens zijn onderzoek naar de onlusten van 49 n. Chr. gehoord had van de christelijke leer van de opstanding en Jezus’ lege graf, besloten had dat er niet nog eens zo’n verhaal moest opduiken. Dit zou logisch zijn in het licht van de Joodse bewering dat het lichaam gestolen was (Matteüs 28:11-15). Dit is een vroeg getuigenis van het krachtige en hardnekkige geloof dat Jezus uit het graf opstond. (Geisler, BECA, 48)



