7D. Yohanan – slachtoffer van een kruisiging

Geisler verklaart het belang van de vondst van een gekruisigde:

In 1968 werd er in Jeruzalem een oude grafplaats opgegraven met daarin vijfendertig lichamen. Er werd vastgesteld dat de meeste ervan een gewelddadige dood gestorven waren tijdens de Joodse opstand tegen Rome in 70 n. Chr. Een ervan was het lichaam van een man, genaamd Yohanan Ben Ha’galgol. Hij was zo’n vierentwintig tot achtentwintig jaar oud, had een gespleten gehemelte, en door zijn voeten stak een achttien centimeter lange spijker. De voeten waren naar buiten gericht zodat de vierkante spijker door de hielen, net onder de achillespees, geslagen kon worden. Daarmee werden ook de benen naar buiten gebogen zodat ze niet  op het kruis konden steunen. De spijker ging door een wig van acaciahout, daarna door de hielen, en stak vervolgens in een olijfhouten balk. Er waren ook aanwijzingen dat er soortgelijke spijkers door beide onderarmen gestoken waren. Deze hadden ervoor gezorgd dat de bovenste botten afgesleten waren doordat het slachtoffer zich steeds op-en-neer bewoog om adem te kunnen halen (door opgeheven armen wordt de ademhaling bemoeilijkt). Gekruisigden moesten zichzelf omhoog drukken om de borstspieren los te maken, en ze stikten zodra ze hiervoor geen kracht meer hadden.

Yohanans benen waren stukgeslagen, in overeenkomst met het algemene gebruik van de Romeinse crucifragium (Johannes 19:31-32). Elk van deze details bevestigt de nieuwtestamentische omschrijving van de kruisiging. (Geisler, BECA, 48)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate