3B. Schrifttypen

1C. Het unciaalschrift

Volgens de nieuwtestamenticus Bruce Metzger werden “literaire werken geschreven in een formeler schrifttype, het unciaal. Dit boekschrift werd gekenmerkt door weloverwogen en zorgvuldig uitgevoerde letters, elk losstaand van de andere, vergelijkbaar met onze hoofdletters.” (Metzger, TNT, 9)

Geisler en Nix merken op: “De grote codices in unciaal die dateren vanaf de vierde eeuw, worden over het algemeen gezien als de belangrijkste manuscripten van het Nieuwe Testament. Ze verschenen bijna onmiddellijk na de bekering van Constantijn en de volmacht om meerdere kopieën van de Bijbel te maken tijdens het Concilie van Nicea (325).” (Geisler/Nix, GIB, 391)

Waarschijnlijk de twee oudste en de belangrijkste manuscripten in unciaal zijn de Codex Vaticanus (ongeveer 325-350 n. Chr.) en de Codex Sinaïticus (ongeveer 340 n. Chr.).


2C. Het minuskelschrift

Het minuskelschrift bestond uit “kleinere letters in lopend schrift,” rond het begin van de negende eeuw n. Chr. ”ontworpen voor de vervaardiging van boeken”. (Metzger, TNT, 9)


3C. Spaties en klinkers

De Griekse manuscripten waren geschreven zonder enige onderbreking tussen de woorden, terwijl het Hebreeuwse schrift geen klinkers bevatte tot de Masoreten ze toevoegden tussen de vijfde en de tiende eeuw v. Chr.

Beide werkwijzen lijken voor de meeste moderne lezers vreemd en verwarrend. Maar voor de mensen uit de oudheid, voor wie Grieks of Hebreeuws de moedertaal was, was dit normaal en goed te volgen. De Joden hadden geen behoefte aan uitgeschreven klinkers. Tijdens het leren van hun taal pikten ze vanzelf de uitspraak en de betekenis op.

Zo hadden de Griekssprekende volken ook geen moeite met het lezen van hun taal zonder woordonderbreking. Zoals Metzger verklaart: “In die taal is de regel, met zeer weinig uitzonderingen, dat inheems Griekse woorden alleen op een klinker of diftong kunnen eindigen, of op een van de drie medeklinkers n, r, en v . Bovendien viel niet te verwachten dat het scriptio continua  uitzonderlijke problemen bij het lezen zou opleveren, omdat het in de oudheid de gewoonte lijkt te zijn geweest om hardop te lezen, zelfs wanneer men alleen was. Dus ondanks de afwezigheid van spaties tussen de woorden, raakte men, door het gelezene lettergreep voor lettergreep voor zichzelf uit te spreken, snel gewend aan het lezen van het scriptio continua. (Metzger, TNT, 13)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate