2B. Toetsen voor opname in de canon

Uit de geschriften uit de Bijbelse en de kerkgeschiedenis kunnen we op zijn minst vijf principes afleiden die als richtsnoer dienden voor de erkenning en verzameling van de werkelijk door God geïnspireerde boeken. Geisler en Nix presenteren deze principes als volgt: (Geisler/Nix, GIB, 223-231):

  1. Was het boek geschreven door een profeet van God? “Als het geschreven was door iemand die namens God sprak, dan was het het Woord van God.”
  2. Werd de schrijver bevestigd door daden van God? Vaak waren het wonderen, die de ware profeten onderscheidden van de valse profeten. ”Mozes kreeg wonderbaarlijke krachten om zijn roeping van Godswege te bewijzen (Exodus 4:1-9). Elia triomfeerde over de valse profeten van Baäl door een bovennatuurlijke handeling (1Koningen 18). Jezus ‘is door God tot u gezonden, hetgeen gebleken is uit de grote daden en de wonderen en tekenen die God … door zijn toedoen onder u heeft verricht’ (Handelingen 2:22). …[Een] wonder is een daad van God om het Woord van God te bevestigen dat door middel van een profeet van God aan het volk van God gegeven wordt. Het is het teken dat zijn toespraak van gronden voorziet; het wonder dat zijn boodschap bevestigt.”
  3. Bevatte de boodschap de waarheid over God? “God kan zichzelf niet tegenspreken (2Korintiërs 1:17-18), en Hij kan ook niets onwaars zeggen (Hebreeën 6:18). Vandaar dat geen enkel boek met onware beweringen het Woord van God kan zijn.” Om redenen als deze hielden de kerkvaders zich aan de strategie: “Bij twijfel wegdoen”. Dit versterkte de “geldigheid van hun kijk op de canonieke boeken”.
  4. Komt het in de kracht van God? “De vaderen geloofden dat het Woord van God ‘levend en krachtig’ was (Hebreeën 4:12), en dientengevolge beschikte over een transformerende kracht tot stichting (2Timoteüs  3:17) en evangelisatie (1Petrus 1:23). Als de boodschap van een boek dit gestelde doel niet bereikte, als het niet de kracht had om een leven te veranderen, dan stond God blijkbaar niet achter de boodschap ervan.” (Geisler, GIB, 228). De aanwezigheid van Gods transformerende kracht was een sterke aanwijzing dat een bepaald boek zijn stempel van goedkeuring droeg.
  5. Was het aanvaard door Gods volk? “Paulus zei over de Tessalonicenzen: ‘Wij danken God dan ook onophoudelijk dat u zijn woord, dat u van ons ontvangen hebt, niet hebt aangenomen als een boodschap van mensen, maar als wat het werkelijk is: als het woord van God’ (1Tessalonicenzen   2:13). Want wat voor discussies er later ook over de positie van een boek in de canon geweest mogen zijn, de mensen die het meest in aanmerking kwamen om de profetische kwalificaties ervan te beoordelen, waren degenen die de profeet die het geschreven had, kenden. Vandaar dat ondanks alle latere discussies over de canoniciteit van bepaalde boeken, het definitieve bewijs datgene is wat getuigenis aflegt van de oorspronkelijke aanvaarding door de gelovigen uit die tijd.” (Geisler, GIB, 229) Wanneer een boek als het Woord van God aanvaard, verzameld, gelezen en gebruikt werd door het volk van God, werd het als canoniek beschouwd. Ook de Bijbel volgt deze methode. Een voorbeeld daarvan zien we in Petrus’ erkenning van de geschriften van de apostel Paulus als gelijkwaardig met de oudtestamentische Schrift. (2Petrus 3:16)

© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate