De basisfactor voor de erkenning van de canoniciteit van een boek voor het Nieuwe Testament was goddelijke inspiratie, en de belangrijkste toets daarvan was apostoliciteit. “In nieuwtestamentische termen”, zeggen Geisler en Nix, “was de kerk “gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten” (Efeze 2:20) aan wie Christus beloofd had om hen door de heilige Geest ‘de weg [te] wijzen naar de volle waarheid’ (Johannes 16:13). Men zei dat de kerk in Jeruzalem was voortgegaan in ‘het onderwijs van de apostelen’ (Handelingen 2:42). De term apostolisch zoals gebruikt voor de toets van canoniciteit betekent niet noodzakelijkerwijs ‘geschreven door een apostel’ of ‘vervaardigd onder leiding van de apostelen’” (Geisler/Nix, GIB, 283)
Ze gaan verder en stellen: “Het lijkt veel beter om in te stemmen met Louis Gaussen, B. B. Warfield, Charles Hodge, J. N. D. Kelly en de meeste protestanten, dat de voornaamste toets voor canoniciteit apostolisch gezag of apostolische goedkeuring was, en niet slechts apostolisch schrijverschap.” (Geisler/Nix, GIB, 283)
N. B. Stonehouse merkt op dat het apostolisch gezag “dat spreekt uit het Nieuwe Testament, nooit los staat van het gezag van de Heer. In de brieven wordt consequent erkend dat er in de kerk maar één absoluut gezag is, het gezag van de Heer zelf. Telkens wanneer de apostelen met gezag spreken, oefenen ze daarmee het gezag van de Heer uit. Dus bijvoorbeeld wanneer Paulus zijn gezag als apostel verdedigt, baseert hij zijn aanspraak op die titel alleen en rechtstreeks op zijn opdracht van de Heer (Galaten 1 en 2); waar hij zich het recht toeeigent om het kerkelijk leven te regelen, beroept hij zich voor zijn woorden op het gezag van de Heer, zelfs wanneer er geen enkel rechtstreeks woord van de Heer is doorgegeven (1Korintiërs 14:37; vgl. 1Korintiërs 7:10).“ (Stonehouse, ANT, 117-118)
John Murray merkt op: “De enige die in het Nieuwe Testament spreekt met een niet-afgeleide en zelfbekrachtigende autoriteit is de Heer.” (Murray, AS, 18)



