1D. Een lijst van de apocriefen
Brief van Pseudo-Barnabas (70 – 79 n. Chr.)
Brief aan de Korintiërs (ongeveer 96 n. Chr.)
Tweede brief van Clemens (ongeveer 120 – 140 n. Chr.)
Herder van Hermas (ongeveer 115 – 140 n. Chr.)
Didache, Het onderwijs van de twaalf (ongeveer 100 – 120 n. Chr.)
Openbaring van Petrus (ongeveer 150 n. Chr.)
De Handelingen van Paulus en Thecla (170 n. Chr.)
Brief aan de Laodiceeën (vierde eeuw?)
Het evangelie naar de Hebreeën (65 – 100 n. Chr.)
Brief van Polycarpus aan de Filippenzen (ongeveer 108 n. Chr.)
De zeven brieven van Ignatius (ongeveer 100 n. Chr.)
Dit is maar een gedeeltelijk overzicht van onechte en verworpen geschriften. (Geisler, BP, 297-316)
2D. Waarom ze verworpen werden
Geisler en Nix geven een samenvatting van de argumenten tegen een canonieke status voor deze boeken: “(1) Geen ervan genoot een meer dan tijdelijke of plaatselijke erkenning. (2) De meeste ervan hadden nooit meer dan een semi-canonieke status, als aanhangsel bij uiteenlopende manuscripten of vermeld in inhoudsopgaven. (3) Geen enkele vooraanstaande canon of kerkvergadering nam ze op als geïnspireerde boeken van het Nieuwe Testament. (4) De beperkte aanvaarding die de meeste van deze boeken genieten is toe te schrijven aan het feit dat ze in verband gebracht werden met verwijzingen in canonieke boeken (bijv. Laodiceeën aan Kolossenzen 4:16), of omdat men dacht dat ze door een apostel geschreven waren (bijvoorbeeld de Handelingen van Paulus). Zodra deze kwesties waren verhelderd, restte er weinig twijfel dat deze boeken niet canoniek waren. (Geisler, GIB, 317)



