Veel geleerden veronderstellen dat in 90 n. Chr. in Jamnia door een synode van rabbi’s besloten werd welke boeken in de Hebreeuwse canon zouden worden opgenomen, en welke niet. Het probleem met deze theorie is dat de vergadering in Jamnia dat niet deed. De rabbi’s stelden de canon niet vast, maar “stelden vragen over de aanwezigheid van bepaalde boeken in de canon. Boeken die door de synode niet toegelaten werden in de canon waren er sowieso niet. De voornaamste aangelegenheid tijdens de synode was het recht van bepaalde boeken om in de canon te blijven, niet de aanvaarding van nieuwe boeken.“ (Ewert, ATMT, 71) De rabbi’s bespraken vragen rond Ester, Spreuken, Prediker, Hooglied, en Ezechiël. “Het verdient echter benadrukt te worden dat men, hoewel er vragen over deze boeken gesteld werden, niet overwoog om ze uit de canon te verwijderen. De gesprekken in Jamnia gingen niet zozeer over ‘aanvaarding van bepaalde geschriften in de canon als wel over hun recht om erin te blijven’.” (Ewert, ATMT, 72)
H. H. Rowley schrijft: “Het is inderdaad twijfelachtig in hoeverre het correct is te spreken over de synode van Jamnia. We weten van discussies die daar onder de rabbi’s plaatsvonden, maar ons is geen enkele formele of bindende conclusie bekend, en het is waarschijnlijk dat de discussies informeel waren, hoewel niet minder nuttig voor het uitkristalliseren en verstevigen van de Joodse traditie.“ (Rowley, COT, 170)
Waar het om gaat is dat “geen enkele menselijke autoriteit en geen enkele synode van rabbi’s ooit een [oudtestamentisch] boek gezaghebbend gemaakt heeft,” legt Bijbelgeleerde David Ewert uit. “Deze boeken werden door God geïnspireerd en droegen al vanaf het begin het waarmerk van gezag. Door lang gebruik in de Joodse gemeenschap werd hun autoriteit erkend en mettertijd werden ze aan de verzameling canonieke boeken toegevoegd.” (Ewert, ATMT, 72)



