3C. Christus’ getuigenis van de oudtestamentische canon

1D. Lucas 24:44

In de bovenzaal vertelde Jezus de discipelen dat “alles wat in de Wet van Mozes, bij de Profeten en in de Psalmen over Mij geschreven staat in vervulling moest gaan” (Lucas 24:44) Met deze woorden “duidde Hij op de drie secties waarin de Hebreeuwse Bijbel verdeeld was – de Wet, de Profeten, en de ‘Geschriften’, (hier ‘de Psalmen’ genoemd, waarschijnlijk omdat het Boek van de Psalmen het eerste en langste boek in deze derde sectie vormt.)” (Bruce, BP, 96)


2D. Johannes 10:31-36; Lucas 24:44

Jezus was het niet eens met de mondelinge overleveringen van de Farizeeën, (Marcus 7, Matteüs 15), wel met hun opvatting over de Hebreeuwse canon. (Bruce, BP, 104). “Er is geen enkele indicatie van enige discussie tussen Hem en de Joden over de canoniciteit van welk oudtestamentisch boek ook. “ (Young, AOT, 62)


3D. Lucas 11:51 (ook Matteüs 23:35)

“Van het bloed van Abel tot het bloed van Zecharja.”  Met deze woorden bevestigt Jezus zijn getuigenis betreffende de inhoud van de oudtestamentische canon. Abel was de eerste in de Bijbel vermelde martelaar (Genesis 4:8), en Zecharja volgens de volgorde van het Hebreeuwse Oude Testament de laatst genoemde martelaar, die gestenigd werd terwijl hij tegen het volk profeteerde “in de voorhof van de tempel” (2Kronieken  24:21). Genesis was het eerste boek in de Hebreeuwse canon, en Kronieken het laatste. Dus Jezus zei feitelijk “van Genesis tot Maleachi” en bevestigde daarmee het goddelijke gezag en de inspiratie van de hele Hebreeuwse canon. (Bruce, BP, 96)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate