2D. Een samenvatting van de apocriefe boeken

In zijn uitstekende studiegids How We Got Our Bible geeft Ralph Earle van alle apocriefe boeken een korte, gedetailleerde beschrijving. Vanwege de kwaliteit, nauwkeurigheid en bondigheid ervan, geef ik hier zijn overzicht, om de lezer een gevoel uit de eerste hand te geven van de waardevolle, maar desondanks niet-canonieke aard van deze boeken:

1Esdras (ongeveer 150 v. Chr.) vertelt over de terugkeer van de Joden naar Palestina na de Babylonische ballingschap. Het put aanzienlijk uit Kronieken, Ezra, en Nehemia, maar de schrijver heeft veel legendarisch materiaal toegevoegd.

Het interessantste item is het “Verhaal van de drie lijfwachten”. Ze spraken er onderling over wat het sterkste in de wereld was. Een van hen zei: “Wijn”; een ander: “De Koning”, de derde: “Vrouw en Waarheid.” Ze legden deze drie antwoorden onder het kussen van de koning. Toen hij wakker werd, vroeg hij de drie mannen hun antwoord te verdedigen. De unanieme conclusie was: “Groot is de waarheid, en zij is sterk bovenal.” Omdat Zerubbabel degene was die dit antwoord had gegeven, mocht hij, als beloning, de tempel in Jeruzalem herbouwen.


2Esdras (rond 100 n. Chr.) is een apocalyptisch werk dat zeven visioenen bevat. Maarten Luther werd zo in verwarring gebracht door deze visioenen dat er gezegd wordt dat hij het boek in de rivier de Elbe gooide.


Tobit (begin tweede eeuw v. Chr.) is een novelle. Sterk farizeïsch van toon, benadrukt het boek de Wet, rein voedsel, ceremoniële wassingen, weldadigheid, vasten, en gebed. Het is duidelijk on-Schriftuurlijk in zijn bewering dat zonden verzoend worden door het geven van aalmoezen.


Judit (ongeveer het midden van de tweede eeuw v. Chr.) is ook fictief en farizeïsch. De heldin van deze roman is Judit, een mooie Joodse weduwe. Toen haar stad belegerd werd ging ze met haar dienstmeisje en wat Joods rein voedsel naar buiten naar de tent van de generaal die de aanval leidde. Hij werd bekoord door haar schoonheid en gaf haar een plek in zijn tent. Gelukkig had hij teveel gedronken en raakte hij in een toestand van bedwelming. Judith nam zijn zwaard en hakte zijn hoofd af. Vervolgens verlieten zij en haar dienstmeisje het kamp, en namen zijn hoofd mee in de zak waar hun voedsel in gezeten had. Het hoofd werd aan de muur van een nabijgelegen stad gehangen, en het leiderloze Assyrische leger werd verslagen.


Toevoegingen aan Ester (ongeveer 100 v. Chr.). Ester is het enige van de oudtestamentische boeken waarin God niet genoemd wordt. We krijgen te horen dat Ester en Mordechai vastten, maar niet specifiek dat ze baden. Om dit gebrek te compenseren schrijven de toevoegingen lange gebeden toe aan deze twee, samen met een paar brieven die door Artaxerxes geschreven zouden zijn.


De Wijsheid van Salomo (ongeveer 40 n. Chr.) werd geschreven om te zorgen dat de Joden niet zouden vervallen tot scepticisme, materialisme en afgoderij. Net als in Spreuken wordt de wijsheid gepersonifieerd. Er worden in dit boek vele edele gevoelens tot uitdrukking gebracht.


Ecclesiasticus of Wijsheid van Sirach (ongeveer 180 v. Chr.) vertoont een hoog niveau van religieuze wijsheid, vergelijkbaar met het canonieke boek Spreuken. Het bevat ook veel praktische adviezen. Over het onderwerp “toespraken na de maaltijd” zegt het bijvoorbeeld:
“Spreek beknopt; zeg veel in weinig woorden.”
“Gedraag u als een man die meer weet dan hij zegt.”
En verderop (33:4):
“Bereid voor wat u te zeggen hebt, en er zal naar u geluisterd worden.”
John Wesley citeert in zijn preken verschillende malen uit het boek Ecclesiasticus. Het wordt in Anglicaanse kringen nog veel gebruikt.


Baruch (rond 100 n. Chr.) doet voorkomen alsof het geschreven is door Baruch, de secretaris van Jeremia, in 582 v. Chr. Het is waarschijnlijk een poging om de vernietiging van Jeruzalem in 70 n. Chr. te verklaren. Het boek spoorde de Joden aan om niet weer in opstand te komen, maar zich aan de keizer te onderwerpen. Desondanks volgde spoedig daarop, in 132-135 n. Chr. de opstand van Bar Kochba tegen de Romeinse overheersing. Het zesde hoofdstuk van Baruch bevat de zogenaamde “Brief van Jeremia” die ernstig waarschuwt tegen afgoderij – waarschijnlijk gericht aan de Joden in het Egyptische Alexandrië.


Ons boek Daniël bevat twaalf hoofdstukken. In de eerste eeuw voor Christus werd een dertiende hoofdstuk toegevoegd, het verhaal van Susanna. Zij was de mooie vrouw van een Joodse leider in Babylon, die regelmatig de Joodse oudsten en rechters in haar huis ontving. Twee van hen werden verliefd op haar en probeerden haar te verleiden. Toen ze om hulp riep, zeiden de twee oudsten dat ze haar in de armen van een jongeman gevonden hadden. Ze werd voor het gerecht gesleept. Omdat er twee getuigen waren die een gelijkluidend getuigenis gaven, werd ze veroordeeld tot de doodstraf.

Maar een jongeman, Daniël, onderbrak het proces en begon de getuigen te ondervragen. Hij stelde elk van hen apart de vraag onder welke boom in de tuin ze Susanna met haar geliefde gevonden hadden. Toen ze verschillende antwoorden gaven, werden zij ter dood gebracht en was Susanna gered.


Bel en de draak werd rond diezelfde tijd toegevoegd en werd aangeduid als hoofdstuk 14 van Daniël. Het hoofddoel ervan was het aantonen van de dwaasheid van afgoderij. In feite bevat het twee verhalen.

In het eerste vroeg koning Cyrus waarom Daniël Bel niet aanbad, aangezien die godheid zijn grootheid toonde door dagelijks vele schapen, met daarbij veel meel en olie, te consumeren. Daarom verspreidde Daniël as over de vloer van de tempel waar het voedsel die avond was neergelegd. ’s Ochtends nam de koning Daniël mee om hem te laten zien dat Bel ’s nachts al het voedsel had opgegeten. Maar Daniël toonde de koning in de as op de vloer de voetsporen van de priesters en hun gezinnen die in het geheim onder de tafel waren gekropen. De priesters werden afgemaakt en de tempel verwoest.

Het verhaal van de draak is even duidelijk legendarisch van karakter. Samen met Tobit, Judit en Susanna kan dit verhaal geclassificeerd worden als puur Joodse fictie. De verhalen hebben weinig of geen religieuze waarde.


In de Septuaginta en de Vulgata volgt op Daniël 3:23  Het lied van de drie jongemannen.  Het ontleent heel veel aan Psalm 148, en is antifonaal: net als Psalm 136 herhaalt het 32 keer het refrein “Bezing en verhoog Hem in eeuwigheid.”


Het gebed van Manasse werd gedicht in de tijd van de Maccabeeën, (tweede eeuw v. Chr.) als het veronderstelde gebed van Manasse, de slechte koning van Juda. Het wordt genoemd in de opmerking in 2Kronieken 33:19: “Zijn gebed en hoe de HEER zich door hem liet vermurwen …zijn opgetekend in de geschriften van Chozai.” Aangezien dit gebed niet in de Bijbel staat, voelde de een of andere schrijver zich genoodzaakt om dit verzuim goed te maken!


1Maccabeeën (eerste eeuw v. Chr.) is misschien wel het meest waardevolle boek in de Apocriefen. Het beschrijft de heldendaden van de drie Maccabeese broers Judas, Jonathan en Simon. Samen met Josefus is het onze belangrijkste bron voor de geschiedenis van deze cruciale en boeiende periode in de Joodse geschiedenis.


2Maccabeeën (eerste eeuw v. Chr.) is geen vervolg op 1Maccabeeën, maar een parallelverslag dat alleen de overwinningen van Judas Maccabeüs behandelt. Het wordt over het algemeen meer als legendarisch beschouwd dan 1Maccabeeën. (Earle, HWGOB, 37-41)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate