Hoewel de Schrift aanvankelijk op onbestendige materialen geschreven werd en honderden jaren lang, tot de uitvinding van het drukproces, gekopieerd en opnieuw gekopieerd moest worden, is hij nooit teruggelopen in stijl en accuratesse, en heeft hij ook nooit in gevaar van uitsterven verkeerd. Vergeleken met andere oude geschriften wordt de Bijbel door meer manuscripten ondersteund dan ongeacht welke combinatie van tien andere werken uit de klassieke literatuur (zie hoofdstuk 3).
John Warwick Montgomery merkt op: “Wie sceptisch is over de uiteindelijke tekst van de nieuwtestamentische boeken kan evengoed de hele klassieke oudheid in de vergetelheid laten verdwijnen, want geen enkel geschrift uit de oudheid is bibliografisch zo goed gedocumenteerd als het Nieuwe Testament.” (Montgomery, HC’71, 29) Ook Bruce Metzger, professor aan Princeton en één van ’s werelds meest vooraanstaande tekstcritici, merkt op dat, anders dan bij andere oude teksten, “de tekstkritiek van het Nieuwe Testament in verlegenheid is vanwege de rijkdom aan materiaal.” (Metzger, TNT, 34)
Bernard Ramm zegt over de accuratesse en het aantal manuscripten van de Bijbel: “Joden bewaarden hem zoals geen enkel ander manuscript ooit bewaard is. Met hun masora (parva, magna en finalis) hielden ze letters, lettergrepen, woorden en paragrafen stuk voor stuk nauwlettend in het oog. Er waren speciale klassen van mannen in hun cultuur wier enige plicht het was deze documenten met nagenoeg perfecte getrouwheid te bewaren en door te geven – schrijvers, rechtsgeleerden, masoreten. Wie heeft er ooit de letters en lettergrepen en woorden van Plato of Aristoteles, Cicero of Seneca geteld?” (Ramm, PCE’53, 230-231)
John Lea vergelijkt in The Greatest Books of the World de Bijbel met de werken van Shakespeare:
In een artikel in the North American Review toonde een schrijver aan de hand van een aantal interessante vergelijkingen tussen de werken van Shakespeare en de Schrift aan dat er aan de Bijbelse manuscripten veel meer zorg moet zijn besteed dan aan andere geschriften, zelfs toen men veel meer gelegenheid had om de tekst correct te bewaren door middel van gedrukte exemplaren dan toen alle kopieën met de hand gemaakt moesten worden. Hij zei: “Het lijkt eigenaardig dat de tekst van Shakespeare, die minder dan 208 jaar oud is, veel onzekerder en onbetrouwbaarder is dan die van het Nieuwe Testament, nu meer dan achttien eeuwen oud, en die gedurende bijna vijftien eeuwen alleen in de vorm van handschriften bestond… Op zo’n tien à twintig uitzonderingen na kunnen we stellen dat de tekst van ieder vers in het Nieuwe Testament met algemene wetenschappelijke instemming zodanig vaststaat dat onenigheid over de lezing ervan eerder te maken zal hebben met de interpretatie dan met twijfel over de woorden op zich. Maar in elk van Shakespeares zevenendertig toneelstukken zitten zo’n honderd lezingen waarover nog steeds getwist wordt, en waarvan een groot deel wezenlijk van invloed is op de betekenis van de gedeelten waarin ze voorkomen.” (Lea, GBW, 15)



