2A. Beperkingen van de vormkritiek

Basil Redlich geeft een samenvatting van de beperkingen van de vormkritische techniek:

1. Classificatie moet plaatsvinden op basis van vorm en niets anders, zoals apofthegma, wonderverhalen en gelijkenissen. Waar geen vormen zijn, is classificatie naar inhoud geen vormkritiek.

2. Aan vormloze groepen moet geen historisch waardeoordeel worden toegekend voordat ze aan een onderzoek onderworpen zijn. Bovendien, waar een type of vorm niet aanwezig is, is geen enkele historische waardetoekenning te rechtvaardigen. De vormkritiek moet de vormen van de overlevering bestuderen, de vormen verklaren, en de ontwikkeling van vormen, en alleen van vormen, natrekken.

3. De vormkritiek heeft geen gepast gebruik gemaakt van de uitkomsten van de literaire kritiek van de evangeliën, bijvoorbeeld de datering van de schriftelijke bronnen van de synoptische evangeliën, en het verband tussen deze bronnen en de grote centra van het christendom.

4. De vormkritiek is, in haar benadrukking van de invloed van de primitieve gemeenschap, blind voor de invloed van Jezus als Rabbi en profeet. Enerzijds maakt ze de christenen tot een creatieve gemeenschap, waarvan weinig of niets blijkt in het Nieuwe Testament. Anderzijds erkent ze niet dat Jezus geen leraar was die telkens dezelfde uitspraken herhaalde of uit het hoofd geleerde toespraken reciteerde. Het is waarschijnlijk dat Hij dezelfde uitspraken in verschillende vormen deed en zijn toespraken voortdurend varieerde. Bovendien kunnen variaties in de evangeliën te danken zijn aan meer kennis. Matteüs en Lucas en Johannes, die hun evangeliën na Marcus samenstelden, zullen in staat geweest zijn het verhaal te herzien op basis van nadere informatie.

5. De vormkritiek veronachtzaamt de aanwezigheid van ooggetuigen in de beginperiode en het feit dat zij in staat waren de overlevering te behoeden en te beschermen.

6. De vormkritiek veronachtzaamt het bewijsmateriaal van tweede-eeuwse en latere schrijvers.

7. De vormkritiek heeft de tijdspanne van de beginperiode niet duidelijk gedefinieerd.

8. De vormkritiek heeft ten onrechte aangenomen dat de contexten en kaders en chronologische details van geen enkel historisch of biografisch belang zijn.

9. De vormkritiek is niet gerechtvaardigd in haar veronderstelling dat analogie een leidraad is voor de historische waarheid van haar legende en mythen.

10. De vormkritiek houdt bij haar beoordeling van de essentiële factoren geen rekening met de grote variatie aan belangen van de vroege kerk.

11. De vormkritiek geeft alle ruimte aan subjectiviteit en hiervoor zijn haar aanhangers gevoelig.

12. Wat de vormkritiek over het hoofd ziet is het onbetwiste feit dat de primitieve kerk bereid was om te lijden en te sterven voor haar geloof in Jezus en de kracht van zijn naam. Jezus was een echte Jezus, en hun Christus, die zich bewezen had door zijn daden en zijn onderwijs.

13. De vormkritiek is door een te grote nadruk op de parousia haar kijk op het normale leven van de mensen kwijtgeraakt, al dacht men inderdaad dat de wederkomst aanstaande was. (Redlich, FC, 77, 70)

McGinley merkt op over de gebreken van de vormkritiek die werd ontwikkeld door Bultmann en Dibelius:

Ze is er niet in geslaagd een onafhankelijke positie ten opzichte van de twee-bronnentheorie te ontwikkelen. [Fascher, DFM, 51] Ze heeft het wezenlijke verschillen tussen de evangeliën en de Kleinliteratur veronachtzaamd. Ze heeft de ontkrachte theorie van de collectieve creativiteit aanvaard en die toegepast op een gemeenschap waarin deze niet aanwezig was en niet aanwezig kon zijn. Ze heeft eenvoud van stijl verward met een samenstelsel van losse onderdelen. Vormen zijn te scherp gedefinieerd en ten koste van veel snijden in de tekst. Er is gezocht naar een Sitz im Leben in iedere fase van het primitieve christelijke leven behalve in de allerbelangrijkste: het verlangen van de christen om het leven van Jezus te kennen. Nergens wordt ruimte gegeven voor een historische getuigenis; inhoud wordt veronachtzaamd door een preoccupatie met de vorm; met de bepalende factor “tijd” wordt geen rekening gehouden; er is een vooroordeel ten opzichte van de historische waarde van het hele evangelieverhaal. (McGinley, FCSHN, 154)

Een van de secundaire doelstellingen van de radicale vormkritiek was het definiëren van het bestaan van een historische Jezus, bezegeld door de vormkritiek.

De vormkritiek heeft in negatieve zin bijgedragen aan het moderne evangelische inzicht in de evangeliën door in deze zoektocht te falen. G. E. Ladd vat het zo samen: “De vormkritiek is er niet in geslaagd een puur historische Jezus te ontdekken.” (Ladd, NTC, 157)

F. J. Babcock concludeert:

Maar wanneer we door gebruik van dit bewijsmateriaal enigszins hebben kunnen indringen in het denken van de eerste bekeerlingen en hun leraren, ontdekken we dat de hele basis van de vormkritische theorie vervlogen is. Ze is ingenieus, ze is tot op zekere hoogte geloofwaardig, er zijn suggesties dat ze fragmenten van de waarheid bevat. Maar zo was het ook met de Tübingentheorie, en er is geen enkele reden om te betwijfelen dat de theorie van de vormkritiek binnen korte tijd hetzelfde lot zal ondergaan. (Babcock, FC, 20)

Rogers stelt: “De methode veronderstelt het bestaan van antwoorden op vragen die nog steeds open staan, zoals de vraag naar de bronnen en de synoptische vragen. Ze veronderstelt de geldigheid van de twee-documententheorie van Marcus en Q als de basis voor Matteüs en Lucas. Ook het eerst komen van Marcus wordt verondersteld.” (Rogers, ULNCNTIET, g.p.)

Een algemene indruk van McGinley over de vormkritiek: “Op zijn best is veel van wat waar is aan de vormkritiek niet nieuw en veel van wat nieuw is niet waar, en op zijn slechtst: er zit koren in het kaf wat eruit gewannen kan worden.” (McGinley, FCSHN, 154)

McGinley geeft zijn mening over Bultmanns werk: “Als, zoals Bultmann beweert, Schmidt de omlijsting van het evangelieverhaal vernield heeft, dan heeft zijn opvolger het schilderij zelf onherkenbaar verminkt.” (McGinley, FCSHN, 68)

Ter afsluiting heeft F. F. Bruce een suggestie voor de vormcriticus: “Wanneer deze ijverige arbeid voltooid is en de kern van de overlevering zo zeker mogelijk is vastgesteld, doet hij er goed aan naar achteren te stappen tussen de andere evangelielezers en zo, gezamenlijk luisterend naar het getuigenis van de evangelisten, met hen erkennen dat dit getuigenis waarachtig klinkt. [J. B. Phillips, Ring of Truth: A Translator’s Testimony (Londen, 1967)].” (Bruce, TON, 57)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate