De nieuwtestamentische geschriften schilderen geen historisch beeld van Jezus.
Rudolf Bultmann citeert Julius Wellhausen: “Ongetwijfeld doorademt de geest van Jezus de uitingen die we ontlenen aan de gemeenschap in Jeruzalem, maar we ontlenen geen historisch beeld van Jezus aan de voorstelling die men in de gemeenschap van Jezus had.” (Bultmann, NASP, 341)
Om een uitgangspunt te hebben voor het historisch onderzoek naar Jezus, zegt Wellhausen vervolgens: “We moeten inzien dat een literair werk of deel van de overlevering een primaire bron is voor de historische situatie waaruit het naar voren kwam, en slechts een secundaire bron is voor de historische details waarover het informatie verschaft.” (Bultmann, NASP, 341)
Deze stelling wil dat we de evangeliën zien als een secundaire bron voor de feiten over Jezus. J. Martin stemt daarmee in: “Evangeliën moeten gezien worden als een betrouwbare weergave van wat de kerk op het moment van schrijven geloofde met betrekking tot de feiten waarop haar geloof gebaseerd was.” (Martin, RG, 44)
Vandaar dat R. H. Lightfoot, een bekende criticus, concludeert: “Het lijkt er dus op dat de vorm van de aardse Christus niet minder dan die van de hemelse, grotendeels voor ons verborgen is. De onschatbare waarde van de evangeliën ten spijt gunnen ze ons niet meer dan een fluistering van zijn stem, we ontwaren in hen slechts de grenzen van zijn wegen.” (Lightfoot, HIG, 225)
1B. De mening van Albert Schweitzer
De zoektocht naar een historische Jezus, een Jezus wiens bestaan concreet bewijsbaar was (buiten de bijbel en de christelijke ervaring) werd aangevoerd door Albert Schweitzer. Hij schrijft: “De Jezus van Nazaret die naar voren trad als de Messias, die de zeden van het koninkrijk van God predikte, die het koninkrijk der hemelen op aarde vestigde, en die stierf om zijn werk zijn uiteindelijke wijding te geven, heeft nooit bestaan. Hij is een figuur, ontworpen door het rationalisme, die zijn leven heeft gekregen door het liberalisme, en door moderne theologen in een historisch gewaad gehuld is. (Schweitzer, PSJ, 396)
Schweitzer vervolgt met een opmerking over het probleem, dat ons onderzoek naar een historische Jezus zelf een onstabiele achtergrond heeft:
Het onderzoek naar het leven van Jezus heeft een vreemde geschiedenis. Het begon met een zoektocht naar de historische Jezus, in de overtuiging dat Hij, wanneer Hij gevonden was, direct naar onze tijd kon worden overgezet als Leraar en Redder. Het maakte de banden los waarmee Hij eeuwenlang aan de steenachtige rotsen van de kerkleer was vastgenageld geweest, en zag met genoegen hoe er opnieuw leven en beweging in de figuur kwam, en de historische Jezus zich losmaakte. Maar Hij blijft niet; Hij gaat onze tijd voorbij en keert terug naar zijn eigen tijd. (Schweitzer, PSJ, 397)
2B. De mening van Martin Dibelius
Martin Dibelius twijfelt aan elke historische belangstelling voor Jezus: “De eerste christenen waren niet geïnteresseerd in het objectief voor de mensheid vastleggen van het leven en het lijden van Jezus, sine ira et studio. Hun enige doel was het winnen van zoveel mogelijk geredden in het laatste uur vlak voor het einde van de wereld, dat naar hun overtuiging aanstaande was. Die vroege christenen waren niet geïnteresseerd in geschiedenis.” (Dibelius, GCC, 16)
In een aanval op de objectiviteit van de Bijbelse gebeurtenissen wijdt Dibelius uit over de christelijke “propaganda”, die het ware beeld vertroebelde: “Een verdere inperking van de historiciteit van de overlevering volgt uit deze totale concentratie op haar missionaire toepassing. De verhalen zijn ingebed in een bepaalde stijl, dat wil zeggen, ze worden verteld op een manier die erop berekend is om gelovigen te stichten en ongelovigen over te halen. Het zijn geen objectieve verslagen van gebeurtenissen.” (Dibelius, GCC, 76)
3B. De mening van Rudolf Bultmann
De scepsis ten aanzien van de historische waarheid van Jezus’ leven komt regelmatig naar voren in Bultmanns theologie: “Ik denk inderdaad dat we nauwelijks nog iets kunnen weten over het leven en de persoonlijkheid van Jezus, omdat de vroege christelijke bronnen voor geen van beide belangstelling tonen, bovendien fragmentarisch en legendarisch zijn, en er geen andere bronnen over Jezus zijn.” (Bultmann, FC, 61)
Hij beweert: “Het karakter van Jezus, het levendige beeld van zijn persoonlijkheid en zijn leven, is nu niet duidelijk vast te stellen.” (Bultmann, FC, 61)
Bultmann zegt iets over een historische methode van Schriftonderzoek, en zijn kijk op hoe een gebeurtenis, zoals een wonder, geïnterpreteerd (en feitelijk als onmogelijk afgewezen worden) dient te worden:
De historische methode omvat de vooronderstelling dat geschiedenis een eenheid is in de zin van een gesloten continuüm van gevolgen waarin individuele gebeurtenissen verbonden zijn door de keten van oorzaak en gevolg. Dit houdt niet in dat het verloop van de geschiedenis bepaald wordt door de wet van oorzaak en gevolg en dat er geen ruimte voor de mens is om in vrijheid te kunnen beslissen en door zijn gedrag de loop van de geschiedenis te bepalen. Maar zelfs een in vrijheid genomen beslissing is niet vrij van een oorzaak, van een motief, en de taak van de historicus is het ontdekken van de motieven voor gedrag. Alle beslissingen en alle daden hebben hun oorzaken en gevolgen, en de historische methode vooronderstelt dat het in principe mogelijk is om die aan het licht te brengen en zodoende het gehele verloop van de geschiedenis als een gesloten eenheid op te vatten.
Dit gesloten-zijn houdt in dat het continuüm van historische voorvallen niet doorbroken kan worden door de tussenkomst van bovennatuurlijke, transcendente machten en dat “wonderen” in deze zin van het woord dus niet bestaan. Een dergelijk wonder zou een gebeurtenis zijn waarvan de oorzaak niet binnen de geschiedenis lag. … Het is in overeenstemming met een methode als deze dat de geschiedwetenschap te werk gaat met alle historische geschriften. En er kunnen geen uitzonderingen gemaakt worden voor Bijbelse teksten als die laatste ten minste als historisch begrepen moeten worden. (Bultmann, EF, 291-292)
Hij voegt eraan toe: “Dit alles toont aan dat het belang van de evangeliën van een heel andere aard is dan dat van de moderne historicus. De historicus kan slechts vooruitgang boeken in het blootleggen van het leven van Jezus door het proces van kritische analyse. Anderzijds geldt voor de evangeliën dat ze Jezus Christus verkondigen, en dat ze bedoeld waren om gelezen te worden als verkondiging.” (Bultmann, FC, 70)
Het is niet het bestaan van Jezus dat Bultmann in twijfel trekt; maar eerder de objectiviteit van de evangelieschrijvers.
Bultmann concludeert: “de twijfel of Jezus werkelijk bestaan heeft is ongegrond en geen weerlegging waard. Geen verstandig mens kan betwijfelen dat Jezus als stichter achter de historische beweging stond waarvan het eerste stadium wordt vertegenwoordigd door de oudste Palestijnse gemeenschap. Maar in hoeverre die gemeenschap een objectief waar beeld van Hem en zijn boodschap bewaard heeft is een andere vraag. (Bultmann, JW, 13)
Fuller geeft een samenvatting van Bultmanns gezichtspunt: “Alles wat we weten, zegt hij, is dat Jezus door de Romeinen als politieke misdadiger werd terechtgesteld. Maar wat we kunnen reconstrueren helpt ons niet veel verder.” (Fuller, NTCS, 14)
4B. De mening van Ernst Käsemann
Ernst Käsemann, een voormalig student van Rudolf Bultmann, beweert: “Het was geen historische, maar kerygmatische belangstelling die voor hun [de evangeliën] overlevering zorgde. Vanuit dit gezichtspunt wordt het begrijpelijk dat deze overlevering, of in elk geval het allergrootste deel ervan, niet authentiek te noemen is. Slechts enkele woorden uit de Bergrede en de discussie met de Farizeeën, een paar gelijkenissen en wat verspreid materiaal van diverse aard gaat met enige mate van zekerheid terug op de Jezus van de geschiedenis zelf. Van zijn daden weten we alleen dat hij de naam had een wonderdoener te zijn, dat hij zelf naar zijn duiveluitdrijvende kracht verwees en dat hij uiteindelijk gekruisigd werd onder Pontius Pilatus. De prediking over hem heeft zijn eigen prediking grotendeels vervangen, zoals het duidelijkst te zien is in het volkomen onhistorische evangelie van Johannes.” (Käsemann, ENT, 59-60)
Over het probleem van historische herziening van het evangeliemateriaal door de gemeenschap stelt Käsemann: “Om de paradox zo scherp mogelijk te stellen: de gemeente spant zich zo in om de historische continuïteit met hem die eens deze aarde bewandelde, vast te houden, dat ze de historische gebeurtenissen van zijn leven grotendeels in de vergetelheid laat verdwijnen en ze vervangt door haar eigen boodschap. (Käsemann, ENT. 20)



