In dit hoofdstuk kijken we naar de basisprincipes van de vormkritiek en geven praktische antwoorden op de basisaannames en conclusies.
Bronnenkritiek kan ons niet verder terugvoeren dan de geschreven bronnen over het leven van Christus. Deze verschenen niet eerder dan vijfentwintig jaar na de gebeurtenissen waarvan ze verslag doen. De stof werd mondeling overgeleverd tot hij werd opgeschreven in de vorm van de evangeliën. Het is de vormkritiek die probeert de kloof van de mondelinge overlevering te overbruggen.
De vormcritici veronderstellen dat de evangeliën zijn samengesteld uit korte, onafhankelijke eenheden of episoden. Deze kleine losse eenheden (perikopen) circuleerden onafhankelijk van elkaar. De critici leren dat deze eenheden langzamerhand de vorm van diverse typen volksliteratuur aannamen, zoals legendes, verhalen, mythen en gelijkenissen.
De vormkritiek veronderstelt dat de vorming en de overlevering van deze eenheden hoofdzakelijk bepaald werd door de behoeften van de christelijke gemeenschap (Sitz im Leben). Met andere woorden, wanneer de gemeenschap een probleem had, creëerden of bewaarden ze een gezegde of episode van Jezus om daarmee tegemoet te komen aan de behoeften van dat specifieke probleem. Feitelijk zijn deze eenheden dan ook geen getuigenis van het leven van Christus, maar weerspiegelen ze de overtuigingen en gebruiken van de vroege kerk.
Deze kritiek beweert dat de evangelisten niet zozeer de schrijvers als wel de redacteuren van de vier evangeliën zijn. Zij namen de kleine eenheden en plaatsten die in een kunstmatige omlijsting ter ondersteuning van de prediking en het onderwijs. Zinsdelen zoals “opnieuw”, “meteen”, “na enige dagen”, “onderweg”, en “hierna” zijn niet historisch. Ze vormen alleen een fictieve omlijsting om de losstaande onderdelen of episodes aan elkaar te plakken. De tijdsbepalingen dienen als verbindingselementen voor de diverse literaire eenheden.
De taak van de vormkritiek is het ontdekken van de “wetmatigheden van de overlevering” die bepalend waren voor het bijeenhalen, ontwikkelen, en neerschrijven van de losstaande eenheden. Vervolgens probeert de vormkritiek, door het verwijderen van de kunstmatige (redactionele) chronologische omlijsting die was aangebracht door de evangelisten, de originele vorm van de eenheden (perikopen) terug te vinden en te bepalen met welk praktisch doel (Sitz im Leben) de ze door de vroege christenen bewaard waren.
Met deze methode dacht men “door de geschreven bronnen heen te steken, terug naar de periode van de mondelinge overdracht en de opkomst van de verschillende soorten episodes die uiteindelijk deel gingen uitmaken van de evangeliën.” (Fitzmyer, MMOTGT, 445)
Uiteindelijk ging ‘vormkritiek’ staan voor meer dan literair onderzoek alleen. De vormkritiek ontwikkelde zich tot historisch onderzoek en begon oordelen te vellen over de historiciteit van diverse gedeelten of eenheden.



