R. H. Lightfoot geeft een samenvatting van de uitgangspunten van de vormkritiek.
Ze herinneren ons eraan dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de vroege kerk zichzelf onmiddellijk op literaire wijze heeft uitgedrukt, en ze geloven, ten eerste, dat de herinneringen en overleveringen van de woorden en daden van Jezus slechts van mond tot mond werden overgeleverd, en ten tweede, dat ze niet zozeer (zoals wij verwacht zouden hebben) in en om zichzelf geapprecieerd werden, als wel vanwege hun belang voor het oplossen van problemen gerelateerd aan het leven en de behoeften van de jonge gemeentes. Deze behoeften, denken ze, zouden hoofdzakelijk betrekking hebben op de evangelieprediking, het catechetisch onderwijs, de demonstratie van de inhoud en betekenis van het christelijke leven, de weerlegging van Joodse en andere tegenwerpingen, en misschien wel bovenal de eredienst. Ze geloven bovendien dat deze herinneringen en overleveringen aanvankelijk voornamelijk in twee vormen circuleerden: enerzijds als korte, losstaande verhalen, en anderzijds als uitspraken van de Heer, ofwel afzonderlijk, ofwel in kleine collecties. Beide zouden langzamerhand een min of meer vaststaande vorm hebben aangenomen, doordat ze voortdurend herhaald werden in de kerken; en wat er ook mag gelden voor de uitspraken, de verhalen zouden de neiging hebben om zich aan te passen aan het voorbeeld van soortgelijke verhalen over leraars en leiders in de Joodse of de Griekse wereld. En ten slotte suggereren ze dat veel van deze preliteraire overleveringen nog steeds te onderscheiden zijn in onze geschreven evangeliën, en vooral in Marcus, en tot op zekere hoogte te classificeren zijn naar hun type of vorm; vandaar de naam van de nieuwe onderzoeksrichting. (Lightfoot, HIG, 30, 31)
Martin Dibelius geeft deze uitleg:”Ze probeert de kloof in het Nieuwe Testament te overbruggen door een uiteenzetting van de gemeenschappelijke basis waarop zowel de leer van Jezus Christus als het verhaal van Jezus van Nazaret rust.” (Dibelius, GCC, 18)
Hij vervolgt met een citaat van een van de doelstellingen van de vormkritische methode: “In de eerste plaats probeert ze door reconstructie en analyse de oorsprong van de overlevering over Jezus te verklaren, en zodoende door te dringen tot een periode die voorafging aan die waarin onze evangeliën en hun geschreven bronnen te boek gesteld werden.” (Dibelius, FTG, Preface)
Dibelius voegt eraan toe dat “ze het doel en de werkelijke opzet van de vroegste overlevering helder wil maken. We moeten aantonen met welk doel de eerste gemeenten verhalen over Jezus vertelden, en ze als onafhankelijke verhalen van mond tot mond doorgaven, of van papyrus op papyrus overschreven. Op diezelfde wijze moeten we de uitspraken van Jezus onderzoeken en de vraag stellen met welke bedoeling deze kerken ze verzamelden, uit het hoofd leerden, en opschreven.” (Dibelius, FTG, Preface)
Rudolf Bultmann stelde: “Het grondbeginsel van de vormkritiek staat vast, namelijk dat de vroegste overleveringen van het evangelie mondeling circuleerden in de kerk en dienstbaar waren aan haar godsdienstige behoeften, en pas langzaam in groepen, blokken of series, en uiteindelijk in evangeliën.” (Bultmann, FC,ix)
Hij legt uit dat de vormkritiek zich ontwikkeld heeft “in een poging om hierop [op de evangeliën] de methodes van vormkritiek toe te passen die door H. Gunkel en zijn volgelingen al waren toegepast op het Oude Testament. Dit omvatte het ontdekken van wat de oorspronkelijke eenheden van de synoptische evangeliën waren, zowel van de uitspraken als de verhalen, om de historische context ervan vast te kunnen stellen, of ze tot een primaire of een secundaire traditie behoorden, of dat ze het voortbrengsel van redactionele activiteit waren.” (Bultmanne, HST, 2-3)



