De vormkritiek ontstond in Duitsland in de jaren na de Eerste Wereldoorlog (Redlich, FC, 16)
Floyd V. Filson vertelt over de begintijd van de vormkritiek op de synoptische evangeliën:
Ze verscheen als uitgewerkte methode in de werken van K. L. Schmidt (1919), M. Dibelius (1919), en R. Bultmann (1921), de drie geleerden die nog steeds het onderzoeksveld domineren met hun werken. Ze bouwde verder op vele voorlopers: Olricks onderzoek naar volksverhalen, Gunkels vaststelling van mondelinge overleveringen in het Oude Testament, Welhausens kritische aandacht voor de individuele elementen van de evangelieoverlevering en voor de beginstadia van die overlevering, Nordens studie naar prozastijlen en uitzendingstoespraken, enzovoort. Ze bouwde voort op het idee dat de vaststelling van de geschreven bronnen niet in staat was om de kloof tussen Jezus en de geschreven evangeliën volledig te overbruggen. Er was een tussenliggende periode van mondelinge overlevering geweest die om bestudering vroeg. (Filson, FC, 435)
Vooraanstaande wetenschappers in Duitsland in de tijd die direct voorafging aan de oorlog waren Bernard Weiss, Holtzmann, Wrede, Johannes Weiss, Wellhausen, Gunkel, en Wendland. (Redlich, FC, 16)
Easton vergelijkt een paar belangrijke schrijvers en hun werken op het terrein van de vormkritiek: “De schrijvers zijn respectievelijk Martin Albertz, Rudolf Bultmann, Martin Dibelius en Karl Ludwig Schmidt. Hoewel hun uitkomsten heel verschillen zijn, hebben ze allemaal één wezenlijke eigenschap gemeen: ze probeerden een scherpe definiëring te geven van de aard van de overlevering van de evangeliën, en enigermate vaststellingen te doen over de wetten die de vorming en overdracht ervan bepaalden.” (Easton, CG, 28-29)
Andere belangrijke vormcritici waren D. E. Nineham en R. H. Lightfoot.
Enkele minder radicale vormkritici waren Frederick Grant, C. H. Dodd, B. S. Easton, en Vincent Taylor. Zij zijn beïnvloed door Bultmann en zijn volgelingen, zoals blijkt in hun geschriften en hun gebruik van dezelfde of soortelijke terminologie. (Gundry, IFAFC, 2)
Rudolf Pesch trekt het ontstaan en de begintijd van de vormkritiek verder na als hij vertelt:
Aan het begin van deze eeuw verklaarde J. Weiss expliciet dat het onderzoek naar de literaire vormen van de evangeliën en naar de individuele groeperingen van het materiaal daarin een van de “taken voor het huidige wetenschappelijke onderzoek van het Nieuwe Testament” was. (Aufgaben der neutestamentlichen Wissenschaft in der Gengenwart [1908], p. 35). Maar zijn voorganger, J. G. Herder “was de eerste die had ingezien welke problemen er kwamen kijken bij het vormkritische onderzoek van de evangeliën” (W. G. Kümmel, p. 98) Een andere voorloper tege het einde van de vorige eeuw was F. Overbeck, die had gevraagd om een “geschiedenis van de vormen” van “de primitieve literatuur van het christendom” (Historische Zeitschrift 48 [1882], p.423). Voor de Eerste Wereldoorlog waren het twee classici P. Wendland (Die urchristlichen Literaturformen [1912]) en E. Norden (Agnosthos Theos, Untersuchungen zur Formengeschichte religiöser Rede [1913]) die een belangrijke richting gaven aan het vormkritische onderzoek van het Nieuwe Testament. Na de oorlog begon de periode van de vormkritische benadering pas echt. (Pesch, FC, 337-338)
C. F. D. Moule merkt op:
De nieuwe impulsen lijken aanvankelijk gekomen te zijn uit het werk aan volkskunst, vooral in het Oude Testament, door geleerden in Scandinavië en Duitsland, die aandacht vroegen voor het onderzoek naar de wetten van de mondelinge overlevering. Wat gebeurt er precies, vroegen ze, met verhalen die van mond tot mond worden doorverteld in een ongeletterde gemeenschap? Langzamerhand ontwikkelden zich als antwoord hierop ten minste twee belangrijke principes. Ten eerste, dat men door het onderzoeken van een voldoende breed scala aan voorbeelden, bekend genoeg zou worden met de standaard “vormen” die verhalen in opeenvolgende overdrachtsfasen aannamen, om met een zekere nauwkeurigheid een gegeven verhaal van zijn laatste vorm te kunnen ontdoen, via een proces vergelijkbaar met het pellen van een ui, totdat het zijn primitiefste, oorspronkelijke vorm bereikt had. En ten tweede, dat het een vergissing ins om het soort van geschreven documenten die hier besproken worden, te behandelen als waren ze “literair”, omdat de gemeenschappelijke invloed van de gemeenschappen in het vormgeven van een verhaal, en zelfs van een heel document, dikwijls belangrijker was dan die van een enkel individu. (Moule, FCPS, 87)
E. V. McKnight geeft in zijn korte maar grondige studie van de vormkritiek, What is Form Criticism? nog meer achtergrondinformatie over de bereikte standpunten via de bronnenkritiek:
Tegen het begin van de twintigste eeuw had het kritische onderzoek naar de synoptische evangeliën de volgende posities ingenomen: (1) De “twee documentenhypothese” was aangenomen. Marcus en Q hadden als bron gefungeerd voor Matteüs en Lucas. (2) Marcus en Q, zowel als Matteüs en Lucas, bevatten niet alleen vroeg authentiek materiaal, maar ook materialen van latere datum. (McKnight, WFC, 9-10)



