3B. Vincent Taylor

Vincent Taylor, een van de belangrijkste vormcritici, is feitelijk nogal kritisch over de onderzoeksrichting die hij aanhangt. Taylors voornaamste werk op het gebied van de vormkritiek was The Formation of the Gospel Tradition, dat uitkwam in 1935. In dit werk behandelt hij de naar zijn mening belangrijkste sterke en zwakke kanten van de vormkritiek. Taylor heeft niet de historische scepsis van Bultmann.

Aanvankelijk stemt Taylor in met de grondslag van de vormcritici:

Ons rest de taak om het basisaanname van de vormkritiek te onderzoeken, namelijk dat de vroegste overlevering in grote lijnen bestond uit kleine losstaande eenheden zonder lokale of temporele verbanden; en daarnaast, aangezien de twee vragen onscheidbaar zijn, de vraag te stellen welke plaats er moet worden toegekend aan de herinneringen van de ooggetuigen. Op basis van het evangelie van Marcus valt onmogelijk te ontkennen dat de vroegste overlevering voor het grootste deel uit een massa fragmenten bestond. (Taylor, FGT, 38-39)

Met betrekking tot de mondelinge overlevering zoals die wordt afgeschilderd door Dibelius en Bultmann, neigt Taylor tot instemming met beiden:

De vormkritiek functioneert vanuit het principe dat de materialen van de geschreven evangeliën in groepen te verdelen zijn op basis van verschillen in structuur en vorm, en dat deze verschillen ons aanwijzingen geven voor de wijze waarop ze zich ontwikkelden in de preliteraire periode. De verschillen groeiden uit de manieren waarop de elementen van de evangeliën gebruikt werden in het dagelijkse leven van de kerk, als preek- en leerstof, en voor missionaire doeleinden. (Taylor, MGT, 470-471)

Over de cruciale kwestie van de creativiteit en de biografische belangstelling van de gemeenschap komt Taylor met de volgende veronderstelling:

Er zijn verschillende redenen aan te voeren voor het gebrek aan biografische belangstelling. Ten eerste waren de vroege christenen mensen van nederige afkomst en prestaties; ze waren niet literair ingesteld, en werden dus ook niet geconfronteerd met de problemen waarvoor de kroniekschrijver zich geplaatst ziet. Bovendien was hun oog op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde gericht die Christus naar hun overtuiging spoedig zou geven. Ze wisten niet dat we negentien eeuwen later nog steeds de vervulling niet gezien zouden hebben: niets zou hen meer verbaasd hebben. Hun hoop was gericht op de toekomst, waarom zouden ze verslag doen van het verleden? Nogmaals, de vorming van een Jezus-overlevering was grotendeels een gemeentelijk proces. Verhalen hadden overlevingswaarde, niet zozeer omdat ze van belang waren voor het individu, maar omdat ze voorzagen in de behoeften van de christenen die samenkwamen om hun godsdienst te beleven. Hadden de eerste christenen biografische interesse?

Wat de evangelisten betreft, moeten we iets andere antwoorden geven. Geen van hen is het erom te doen een biografie te schrijven in de moderne zin van het woord, hoewel ze allemaal het verhaal van Jezus willen schrijven. In het vierde evangelie zijn de voornaamste doelstellingen godsdienstig en leerstellig, maar de stof wordt gepresenteerd in een historisch kader. In Marcus is een verlangen aanwezig om in hoofdlijn het verloop van de bediening van Jezus te schetsen, en diezelfde lijn wordt gevolgd in Matteüs, hoewel hij hier ondergeschikt is aan didactische en kerkelijke belangen. In Lucas wijst de zesvoudige datering van 3:1-3 en de terminologie van het voorwoord op een intentie om het verhaal in geregelde orde op te stellen, hoewel we niet kunnen veronderstellen dat hier een chronologische orde bedoeld wordt, en zeker niet dat die bereikt is. (Taylor, FGT, 143-144)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate