4B. Samenvatting

Om een samenvatting te geven van deze belangrijkste voorvechters van de vormkritiek, moeten we kijken naar enkele verschillen en overeenkomsten tussen hen.


1C. Overeenkomsten tussen Dibelius en Bultmann

Hoewel Dibelius en Bultmann het overgeleverde materiaal verschillend rubriceren, dat wil zeggen, dat ze verschillende vormen met verschillende leefsituaties onderscheiden, zijn ze het in principe eens wat hun basisveronderstelling betreft. Die veronderstelling is tweeledig. Ze denken beiden dat het overgeleverde materiaal aanvankelijk uit korte, afgeronde eenheden bestond, waarvan de Sitz im Leben de vroege christengemeenschap is, en dat alle historische contexten in de evangeliën (met uitzondering van het Paasverhaal) als redigeerwerk van de evangelisten gezien moeten worden. (Gundry, IFAFC, 24-25)

E. V. McKnight geeft de volgende overeenkomsten tussen Dibelius en Bultmann: “Ze veronderstellen dat de stof gerubriceerd wordt naar vorm en dat de vorm de onderzoekers in staat stelt om de geschiedenis van de overlevering te reconstrueren.” (McKnight, WFC, 20)

L. J. McGinley benadert Dibelius en Bultmann op een iets andere manier. Hij wijst erop dat ze het eens waren over de stijl, het oneens waren over de terminologie, het eens waren over de stof, het oneens waren over de ontwikkeling van de overlevering, het oneens waren over de Sitz im Leben en ten slotte overeenstemden in hun volkomen ontkenning van de historische waarde van hun categorieën. (McGinley, FCSHN, 45-46)

McGinley vervolgt:

Bultmann en Dibelius stemmen overeen dat de omschrijving en classificatie van de vormen slechts een deel van de taak van de vormcritici is. Ze stellen dat er een verband bestaat tussen de verschillende literaire categorieën die een gemeenschap voortbrengt en de diverse functies van die gemeenschap, en dat dit verband te achterhalen is, en dat de sociaalhistorische situatie die een bepaalde vorm creëerde om aan een bepaalde behoefte te voldoen, vast te stellen is. (McGinley, FCSHN, 18, 19)

McGinley merkt op: “In het zoeken naar parallellen voor de evangelieverhalen verwijst Dibelius herhaaldelijk naar de rabbijnse schrijvers. Ondanks de relatief late redactie van deze literatuur, gelooft hij dat de anekdotes op zich een vergelijkbare oorsprong hebben en een bevredigende illustratie vormen van de synoptische verhalen. (McGinley, FCSHN, 96)

McGinley voegt daaraan toe:

Ook Bultmann maakt overvloedig gebruik van illustraties en analogieën uit de rabbijnse traditie . Hij gelooft echter dat het proces dat leidde tot de vastlegging hiervan gecompliceerder was dan dat van de synoptische traditie. In de evangeliën werden de vormen zuiverder bewaard dan in de rabbijnse literatuur, waar de vormgeving bewuster was en waar sprake was van artistieke variatie in motieven en waar individuele eenheden in een nieuwe vorm gegoten werden. (McGinley, FCSHN, 97)


2C. Fundamentele kritiek

Een van de meest diepgaande verschillen tussen Bultmann en Dibelius is hun concept van het “overheersende motief” in de vormgeving van de eenheden.

(1) Bultmann: Debatten tussen de vroege christengemeenschap en het Judaïsme waren het motief. (Bultmann, SSG, 39-44; Kenyon, BMS, 350-3510)

(2) Dibelius: “Zending” was het feitelijke motief en “verkondiging” was het middel daartoe. (Dibelius, FTG, 13)

Vincent Taylor oefent kritiek op Bultmann wanneer hij stelt:

Bultmanns echtheidstoetsen zijn veel te subjectief. Wat bereiken we door een paar karakteristieke kenmerken van de uitspraken van Jezus te selecteren, en hiervan de maatstaf te maken aan de hand waarvan we de echtheid van de overlevering als geheel vaststellen? Het vaststellen van wat karakteristiek is, is niet eenvoudig, en zelfs wanneer we daartoe in staat zijn, zal de test dikwijls falen omdat zelfs de grootste leraars dikwijls bekende dingen zeggen. Grote leraars zeggen niet altijd wat we van hen verwachten, zelfs niet het onverwachte! (Taylor, FGT, 107-108)

Bultmann, die na Martin Dibelius komt in de chronologische ontwikkeling van de vormkritiek, zegt: “Anders dan Dibelius ben ik er inderdaad van overtuigd dat de vormkritiek, juist omdat literaire vormen in verband staan met het leven en de geschiedenis van de primitieve kerk, naast literair-kritische oordelen ook feitelijke oordelen moet vellen (over de echtheid van een uitspraak, de historiciteit van een verslag, en dergelijke).” (Bultmann, HST, 5)

Alfred Wikenhauser oefent serieuze kritiek op de belangrijkste vormcritici:

Het aan de primitieve christelijke gemeenschap toeschrijven van een bijzondere creativiteit is een ernstig gebrek in de vormkritiek zoals die wordt toegepast door veel van haar aanhangers – met name bij Bultmann en Bertram, en, minder radicaal, door Dibelius. Zij beweren dat bepaalde delen van de synoptische evangeliën vrije creaties van de gemeenschap waren, of dat de motieven voor de vormgeving ervan – vooral voor wonderverhalen of Novellen, en legenden – ontleend waren aan het Judaïsme, en in het bijzonder van het Hellenisme. (Wikenhauser, NTI, 276)


Een van de belangrijkste aanklachten tegen de vormkritiek betreft de subjectiviteit ervan. Robert Mounce maakt in een interview over dit specifieke probleem de opmerking: “Vormkritiek klinkt als een wetenschappelijke methode. Als dat zo was, zou je consistentie in interpretatie aantreffen. Maar de interpretaties van één enkele uitspraak variëren al zo. En niet alleen de interpretaties variëren, maar de vormcritici zijn het er dikwijls ook niet over eens of een perikoop een wonderverhaal is of een verkondigingsverhaal – de twee kunnen verweven zijn. Wanneer de vormkritiek een werkelijke wetenschap was zouden we consequentie in historische reconstructies verwachten.” (Mounce, 144)

I. J. Peritz, die ook commentaar heeft op de subjectiviteit van de vormcritici, komt tot de conclusie:

De vormkritiek stelt ons dus voor de verplichting om ons ofwel neer te leggen bij haar gebrekkige werkwijze en conclusies, of deze te bestrijden. Waar het om gaat is echter niet keus tussen een onkritische houding en kritiek, maar tussen kritiek en hyperkritiek. Een kritische beschouwing van de evangeliën maakt geen aanspraak op strikte objectiviteit. Het is soms moeilijk te zeggen waar poëzie eindigt en geschiedenis begint. Het is allerwaarschijnlijkst dat ze geen onderliggend strikt chronologisch of topografisch plan hebben en dat ze geen biografie “in onze zin van het woord” vormen. Maar dat is nog heel iets anders dan erkennen dat we geen betrouwbare verklaringen hebben van ooggetuigen, dat de kerk uit haar Christus van het geloof de Jezus van de geschiedenis heeft gecreëerd, in plaats van uit de Jezus van de geschiedenis haar Christus van het geloof. (Peritz, FCE, 205)

Hij voegt daar aan toe: “De grote fout van de vormkritiek is haar fantasievolle subjectiviteit in de beoordeling van de overlevering. (Peritz, FCE, 205)

In een recent verschenen tijdschrift vat Peritz de standpunten van de vormcritici samen met de opmerking: “Het enige waar ze allemaal mee instemmen is dat de vroegste volgelingen van Jezus te onwetend waren of te onverschillig tegenover biografie of geschiedenis stonden om een poging te ondernemen om de herinnering aan hun Meester levend te houden.” (Peritz, FCE, 202)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate