De ondermijning van de oude orthodoxie is vooral het werk geweest van godgeleerden die zich bezighouden met de kritiek van het Nieuwe Testament. Deze deskundigen zijn het, op wier gezag we afscheid zouden moeten nemen van een grote massa overtuigingen die de vroege kerk, de kerkvaders, de middeleeuwen, de hervormers, en zelfs de negentiende eeuw gemeenschappelijk hadden. Ik wil u uitleggen hoe het komt dat ik sceptisch tegenover dat gezag sta. Het is de scepsis van een ondeskundige, zoals u maar al te gemakkelijk zult zien. Maar de scepsis is hier oorzaak van de ondeskundigheid. Aandachtige studie is moeilijk vol te houden als je leermeesters je niet op het eerste gezicht vertrouwen inboezemen.
Welnu, wat deze mensen ook mogen betekenen als bijbelcritici, als literatuurcritici hebben zij niet mijn vertrouwen. Naar mijn idee ontbreekt het hun aan literaire oordeelskracht, missen ze opmerkzaamheid voor het karakter van de teksten die ze lezen. Dat lijkt een vreemd verwijt aan het adres van mensen die zich levenslang in die boeken verdiept hebben. Maar misschien ligt daar nu juist het probleem. Iemand die al zijn jonge en rijpe jaren heeft besteed aan de nauwkeurige bestudering van nieuwtestamentische teksten en andermans bestudering daarvan, wiens literaire beleving van die teksten iedere standaard van vergelijking mist zoals die slechts kan opkomen uit een ruime en diepe en vruchtbare beleving van literatuur in het algemeen, die heeft, zou ik denken, grote kans om de voor de hand liggende zaken over het hoofd te zien. Als hij me vertelt dat iets in een van de Evangeliën een fantasieverhaal of legende is, dan wil ik wel eens weten hoeveel fantasieverhalen en legenden hij gelezen heeft, in hoeverre zijn smaakzintuig is getraind om deze dingen aan hun aroma te herkennen, en niet hoeveel jaren hij al met dat Evangelie bezig is. Maar laat ik liever voorbeelden geven.
In een nu alweer heel oud commentaar lees ik dat het Vierde Evangelie door een bepaalde school gezien wordt als een ‘spiritueel avonturenverhaal’, als ‘een gedicht, geen geschiedenis’, en dat je het naar dezelfde maatstaf beoordelen moet als de parabel van Nathan, het boek Jona, Paradise Lost, ‘of, om preciezer te zijn, The Pilgrim’s Progress.’ Als iemand zoiets schrijft, waarom dan verder nog aandacht besteden aan wat hij over welk boek ter wereld ook zegt? Merk op dat hij The Pilgrim’s Progress, een verhaal dat zich als een droom aandient en dat met elk van de talloze eigennamen zijn allegorisch karakter uitbazuint, als de beste parallel beschouwt. Merk op dat heel het epische arsenaal van Paradise Lost hier niet telt. Maar ook als we de grofste absurditeiten weglaten en ons beperken tot Jona, dan nog is de ongevoeligheid bar en boos – Jona, een verhaal met even weinig historische aanknopingspunten (of zelfs maar pretenties in die richting) als het boek Job, met een zeer bizarre gang van zaken en bepaald niet zonder een duidelijke, maar uiteraard stichtelijke vleug typisch joodse humor.
En lees dan Johannes. Lees de dialogen – die met de Samaritaanse vrouw bij de put, of wat er volgt op de genezing van de blindgeborene. Kijk naar de beelden: Jezus die (als ik het zo zeggen mag) poppetjes zit te tekenen met zijn vinger in het zand; het onvergetelijke ‘En het was nacht’ (13:30). Ik heb mijn leven lang gedichten, avonturenverhalen, droomvisioenen, legenden en mythen gelezen. Ik weet hoe die dingen gaan. Ze gaan nooit zoals hier. Er zijn maar twee mogelijke visies op deze tekst. Of het is een verslag, waarin dan natuurlijk fouten kunnen staan maar dat redelijk dicht bij de feiten zit, haast zo dichtbij als Boswell; of anders heeft een onbekende schrijver uit de tweede eeuw van onze jaartelling, voor zover bekend zonder voorgangers of navolgers, plotseling een voorproefje gegeven van de complete moderne realistisch-verhalende romantechniek. Als het verslag niet waar is, dan moet het dit soort vertelkunst zijn. Een lezer die dit niet ziet heeft eenvoudig nog niet leren lezen. Zo iemand zou ik Auerbach willen aanbevelen.
En hier is er nog een, uit de Theologie des Neuen Testaments van Bultmann (blz. 30):
‘Man beachte, wie unausgeglichen mit der Leidens- und Auferstehungsweissagung Mk 8, 31 auf sie die Parusieweissagung 8, 38 folgt.’
Wat mag hij daarmee bedoelen? Unausgeglichen? Bultmann gelooft dat voorzeggingen van de parousie ouder zijn dan die van het lijden. Hij wil daarom geloven – het is wel zeker dat hij gelooft – dat wanneer ze in één zelfde passage voorkomen, daar dan ook een of andere discrepantie, iets Unausgeglichenes merkbaar moet zijn. Maar het is wel met een schrikbarend gebrek aan opmerkzaamheid dat hij dit aan de tekst opdringt. Petrus heeft beleden dat Jezus de Gezalfde is. Deze flits van heerlijkheid is nauwelijks voorbij of de duistere profetie begint – dat de Zoon des Mensen moet lijden en sterven. En dan wordt dit contrast herhaald. Petrus, voor een ogenblik opgeheven door zijn belijdenis, begaat zijn misstap; waarop de vernietigende afwijzing ‘ga weg achter mij, satan’ volgt. En dan klinkt, boven de tijdelijke puinhoop waartoe Petrus (als zo vaak) vervallen is, de stem van de Meester die zich tot de menigte wendt en de algemene moraal trekt. Al zijn volgelingen moeten het kruis opnemen. Het vermijden van leed, dát soort zelfbehoud, is niet waar het in het leven werkelijk om gaat. Dan de nog beslistere oproep tot martelaarschap. Je moet pal staan. Als je hier en nu Christus verloochent, dan zal Hij later jou verloochenen. Logisch, emotioneel en als verhaal is de opbouw perfect. Slechts een Bultmann kan dit anders zien.
Ten slotte, van dezelfde Bultmann:
‘So hat … für das Kerygma des Paulus wie des Johannes, wie überhaupt für das NT die Persönlichkeit Jesu keine Bedeutung; ja, die Tradition der Urgemeinde hat auch nicht etwa unbewußt ein Bild seiner Persönlichkeit bewahrt; jeder Versuch, es zu rekonstruieren, bleibt ein Spiel subjektiver Phantasie.’
Dus de persoonlijkheid van onze Heer zou in het Nieuwe Testament niet naar voren komen. Welke merkwaardige wegen moet deze geleerde Duitser hebben bewandeld om blind te kunnen worden voor wat ieder mens behalve hijzelf ziet? Hoe kunnen we aannemen dat hij een persoonlijkheid herkennen zou als die wél naar voren kwam? Want dit is Bultmann contra mundum. Als er iets is wat alle gelovigen en zelfs veel ongelovigen met elkaar gemeen hebben, dan is het het besef dat zij in de evangeliën een persoonlijkheid hebben ontmoet. Je hebt ook figuren van wie je weet dat ze tot de historische werkelijkheid behoren maar bij wie je niet het gevoel hebt dat je iets persoonlijks van ze weet, je hebt nooit kennis met ze gemaakt: figuren als Alexander de Grote, Attila of koning-stadhouder Willem III. Andere hebben maken geen aanspraak op historische werkelijkheid terwijl je ze toch kent op de manier van echte mensen: Falstaff, Uncle Toby, Mr Pickwick.
Er zijn echter maar drie karakters die historische werkelijkheid en tevens dit andere soort werkelijkheid bezitten. En dan weet iedereen wie ik bedoel: de Socrates van Plato, de Jezus van de evangeliën, en de Johnson van Boswell. Dat we hen kennen blijkt op veel manieren. Als je de apocriefe evangeliën leest, hoor je jezelf bij het ene na het andere logion zeggen: ‘Nee; het is mooi en aardig, maar niet van Hem. Zo sprak Hij niet’ – net zoals met alle pseudo-Johnsoniana. …
Zo sterk is het aroma van de persoonlijkheid dat wij, en ook veel ongelovigen, zelfs terwijl Hij dingen zegt die zonder Menswording Gods in de volste zin van het woord van een stuitende arrogantie zouden zijn, Hem nemen zoals Hij zich aandient wanneer Hij zegt ‘Ik ben zachtmoedig en nederig van hart.’ Zelfs in de delen van het Nieuwe Testament die oppervlakkig gezien, en naar hun bedoeling, het meest op zijn goddelijke natuur en het minst op zijn menselijke betrekking hebben, kom je oog in oog met de persoonlijkheid. En wie weet, daar misschien nog meer dan elders.
‘Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid … hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben.’ Wat schiet je op met pogingen om deze verpletterende directheid van persoonlijk contact te ontwijken of te doen verdampen met opmerkingen als dat ‘de vroege kerk zich gedrongen wist deze betekenis aan de Meester toe te kennen?’ Wat hier staat, komt als een klap in je gezicht. Niet waartoe ze gedrongen werden, maar wat hen drong. Ik begin te vrezen dat de heer Bultmann met persoonlijkheid iets bedoelt wat ik onpersoonlijkheid zou noemen: zoiets als wat je aantreft in het Nationaal Biografisch Woordenboek, een In Memoriam, of een negentiende-eeuws Leven en brieven van Jesjoea Bar-Josef, in drie banden, met photographieën.
Dat was mijn eerste blaat. Deze mensen willen mij doen geloven dat ze tussen de regels van die oude teksten kunnen lezen; wat blijkt is dat zij duidelijk niet in staat zijn die regels zelf te lezen, in een zinvolle betekenis van het woord ‘lezen’. Zij doen alsof ze varenzaadjes kunnen zien, maar ze zien nog geen olifant op tien meter afstand in het volle daglicht.











