Deel 2

Nu het tweede. Alle theologie van het vrijzinnige soort komt vroeg of laat met de bewering – en gaat er vaak voortdurend van uit – dat het werkelijke optreden en de ware bedoeling van de leer van Christus al heel snel door zijn leerlingen werd misverstaan en verkeerd werd doorgegeven en nu pas door de moderne wetenschap is herontdekt of opgegraven. Nu had ik dit soort theorieën al elders leren kennen lang voordat ik me voor theologie begon te interesseren. Toen ik klassieke literatuur en wijsbegeerte studeerde, stond die studie nog in het teken van de Jowett-traditie. Men werd grootgebracht in de overtuiging dat de ware bedoeling van Plato door Aristoteles niet begrepen was en door de neoplatonisten krankzinnig vertekend, om pas door moderne geleerden weer ontdekt te worden. Eenmaal ontdekt, bleek (tot onze vreugde) dat Plato eigenlijk nooit anders dan een Engels Hegeliaan was geweest, ongeveer zo een als T. H. Green.

Ook in mijn eigen vakgebied ben ik ermee in aanraking gekomen. Je hebt er iedere week wel een student, ieder kwartaal een suffe Amerikaanse promovendus, die als eerste ontdekt wat de ware bedoeling van een bepaald stuk van Shakespeare was. Maar in dit laatste geval zit ik in een bevoorrechte positie. De revolutie in denken en voelen die tijdens mijn leven heeft plaatsgevonden is zo groot dat ik mentaal veel meer in de wereld van Shakespeare dan in die van deze recente vertolkers thuishoor. Ik zie – ik voel in mijn botten – niemand zal het uit mijn hoofd kunnen praten – dat de meeste van die interpretaties eenvoudig onmogelijk zijn, dat ze van een manier van denken uitgaan die in 1914 onbekend was, laat staan driehonderd jaar eerder. Zo word ik dagelijks bevestigd in mijn wantrouwen tegen deze zelfde benadering van Plato of het Nieuwe Testament.

Dat een schrijver onbegrijpelijk zou kunnen zijn voor mensen uit zijn eigen cultuur die dezelfde taal spreken, aan dezelfde beelden gewend zijn en dezelfde onbewuste vooronderstellingen hanteren, en tegelijk glashelder voor mensen die al deze voordelen missen, is naar mijn mening een absurd idee. Het is al bij voorbaat zo reusachtig onwaarschijnlijk dat er haast geen redenering of bewijs tegen op kan.

In de derde plaats blijkt dat deze theologen voortdurend werken met het uitgangspunt dat wonderen niet plaatsvinden. Van elke uitspraak bijvoorbeeld die de oude teksten aan onze Heer toeschrijven en die een voorspelling van de toekomst zou zijn geweest als Hij het inderdaad gezegd heeft, wordt aangenomen dat zo’n passage is ingevoegd ná de zogenaamd voorspelde gebeurtenis. Dit is heel verstandig wanneer je bij voorbaat weet dat geïnspireerde voorspelling nooit kan plaatsvinden. Zo is het in het algemeen ook verstandig om alle passages met wonderverhalen als onhistorisch te bestempelen wanneer je bij voorbaat weet dat wonderen-in-het-algemeen nooit plaatsvinden. Nu wil ik het hier niet hebben over de vraag of wonderen mogelijk zijn. Ik wil er alleen op wijzen dat dit een zuiver wijsgerige vraag is. Geleerden als zodanig kunnen hier niet met meer gezag spreken dan andere mensen. De norm ‘indien wonderverhaal – dan niet historisch’ is een norm die zij toepassen bij de bestudering van de teksten, niet een norm die ze eraan ontlenen. Als het om gezag gaat, dan is zelfs het verenigd gezag van alle bijbelgeleerden ter wereld hier van geen enkel gewicht. Ze spreken op dit punt gewoon als mens – als mensen die duidelijk beïnvloed zijn door, en misschien onvoldoende kritisch staan tegenover, de geest van de tijd waarin ze zijn opgegroeid.

Mijn vierde blaat-salvo, het langste en luidruchtigste, moet nu nog komen.

Al dit soort kritiek vormt een poging om het ontstaan van de bestudeerde teksten te reconstrueren: welke verdwenen bronnen de auteur gebruikte, waar en wanneer hij schreef, met welke bedoelingen, onder welke invloeden – de hele Sitz im Leben van zo’n tekst. Er wordt hierbij een immense eruditie en een grote vindingrijkheid aan de dag gelegd. En op het eerste gezicht is het erg overtuigend. Ik zou er zelf denk ik door overtuigd zijn geraakt, ware het niet dat ik altijd een amulet meedraag – een toverkruid – dat de betovering verbreekt. Neemt u mij niet kwalijk dat ik het nu even over mijzelf zal hebben. De waarde hiervan is dat u op deze manier gegevens uit de eerste hand krijgt.

Wat mij op mijn hoede doet zijn tegen al die reconstructies is het feit dat ik dit allemaal precies van de andere kant heb kunnen zien. Ik heb recensenten op deze zelfde manier de wording van mijn boeken zien reconstrueren.

Zolang je nooit zelf bent gerecenseerd, zou je niet geloven hoe weinig ruimte de gemiddelde recensie besteedt aan kritiek in de strikte zin van het woord, de evaluatie en de al of niet gunstige beoordeling van het boek zoals dat er ligt. Het grootste deel gaat heen met verzonnen verhalen over jouw schrijfproces. Zelfs de termen waarin de recensent zijn lof of zijn afkeuring verwoordt slaan vaak op zo’n proces. De ene passage is mooi omdat hij ‘spontaan’ zou zijn, de andere slecht want ‘moeizaam’. Met andere woorden, zij menen te weten dat je de ene passage currente calamo schreef en de andere invita Minerva.

Wat de waarde van zulk reconstructiewerk is leerde ik heel vroeg in mijn loopbaan. Ik had een bundel essays gepubliceerd en het stuk waar ik het meest met mijn hart bij was geweest, waar ik werkelijk om gaf en waarmee ik een grote passie volgde, was het stuk over William Morris. En in bijna de eerste recensie las ik dat dit duidelijk het enige stuk in het boek was dat ik zonder veel interesse geschreven had. Begrijpt u mij niet verkeerd. Deze recensent had heel goed gezien, denk ik nu, dat dit het slechtste stuk was; in ieder geval was iedereen dit met hem eens. Hij zat er alleen volkomen naast met zijn verzonnen verhaal over de oorzaken waardoor het zo saai was.

Welnu, dit vond ik iets om eens in de gaten te houden. Sindsdien ben ik altijd een beetje blijven letten op verzonnen ontstaansverhalen over mijn boeken en die van vrienden, boeken waarbij ik de ware toedracht kende. Recensenten, welwillend of niet, schudden dit soort verhalen met grote zelfverzekerdheid uit hun mouw. Ze vertellen welke publieke gebeurtenissen de auteur tot welke gedachten heeft gebracht, welke andere auteurs hem beïnvloed hebben, wat zijn voornaamste bedoeling was, welk soort publiek hij allereerst voor ogen had, waarom – en wanneer – hij alles deed.

Nu moet ik eerst melden wat mijn indruk was, en dan, in onderscheid daarvan, wat ik met zekerheid zeggen kan. Mijn indruk is dat er in alles wat ik gezien heb niet één van die gissingen ooit correct is geweest; dat deze aanpak een mislukkingsquotum heeft van 100%. Je zou verwachten dat het toeval hun af en toe ook een succesje gunt. Maar mijn indruk is dat dat niet gebeurt. Ik herinner mij niet één treffer. Maar ik heb er geen nauwkeurige administratie van bijgehouden, dus deze indruk van mij kan een vergissing zijn. Wat ik wel met zekerheid meen te kunnen zeggen is dat ze gewoonlijk fout raden.…

Dit is beslist iets om even over na te denken. De reconstructie van de geschiedenis van een tekst klinkt erg overtuigend, als het een oude tekst is. Maar uiteindelijk vaar je op gegist bestek. De uitkomst van het onderzoek is niet met feiten te controleren. Om te bepalen hoe betrouwbaar een methode is kun je moeilijk meer verlangen dan een voorbeeld van gevallen waarin die methode wordt toegepast en waarbij je wel feiten ter controle hebt. Welnu, zo’n voorbeeld gaf ik. En het blijkt dat, waar controle mogelijk is, de uitkomst altijd, dan wel bijna altijd, fout is. De ‘vaststaande resultaten van moderne wetenschap’ over de manier waarop een oud boek tot stand is gekomen staan slechts ‘vast’, zo kunnen we concluderen, doordat de mensen die de feiten wisten dood zijn en geen roet in het eten kunnen gooien. De kans is zeer gering dat, op mijn vakgebied, de uitvoerige verhandelingen over de ontstaansgeschiedenis van Piers Plowman of van The Faerie Queene iets anders zijn dan pure inbeelding.

Heb ik dan het lef om de eerste de beste druiloor die vandaag een recensie voor een weekblad schrijft te vergelijken met de grote geleerden die hun leven hebben gewijd aan zorgvuldige bestudering van het Nieuwe Testament? Als zo’n recensent er altijd naast zit, volgt daar dan uit dat zo’n geleerde het er niet beter afbrengt?

Er zijn hierop twee antwoorden. Ten eerste ben ik, met alle respect voor de geleerdheid van de grote bijbelcritici, er niet van overtuigd dat hun oordeelsvermogen hetzelfde respect verdient. Maar ten tweede dient u eens te bedenken wat een overweldigende voorsprong zo’n recensentje heeft. Hij reconstrueert de ontstaansgeschiedenis van een boek dat geschreven is door iemand met dezelfde moedertaal, een tijdgenoot die hetzelfde onderwijs genoten heeft en in ongeveer hetzelfde denkklimaat en dezelfde geestelijke atmosfeer leeft als hijzelf. Alle omstandigheden zijn in zijn voordeel. Het superieure oordeelsvermogen dat je de bijbelcritici zou moeten toeschrijven moet welhaast bovenmenselijk zijn om op te wegen tegen het feit dat zij voortdurend te maken hebben met taal, gewoonten, ras- en klasse-kenmerken, religieuze achtergrond, schrijfconventies en onuitgesproken basisideeën waar een mens vandaag ook met alle mogelijke wetenschap nooit zo’n zekere, intieme en instinctieve kennis van kan hebben als die recensent het van de mijne heeft. En bedenk dat om diezelfde reden, hoe vreemd ook de constructies die een bijbelcriticus bedenken mag, het nooit te bewijzen valt wanneer zij er vies naast zitten. Marcus is dood. Als ze Petrus ontmoeten zullen er dringender zaken te bespreken zijn.

U kunt nu natuurlijk zeggen dat die recensenten dwaas zijn in zoverre ze proberen te raden hoe het schrijven is gegaan bij een soort boek dat zij zelf nooit geschreven hebben. Ze nemen aan dat jij je verhaal schreef op de manier waarop zij zelf een verhaal zouden proberen te schrijven; het feit dat zij het zo zouden proberen verklaart waarom er nooit een verhaal uit hun pen is gekomen. Maar staan de bijbelcritici er in dit opzicht beter voor? Professor Bultmann heeft nooit een evangelie geschreven. Heeft de ervaring van zijn geleerde, gespecialiseerde, en ongetwijfeld verdienstelijke leven hem dan inderdaad een vermogen bezorgd om zich te verplaatsen in die allang gestorven mensen die verwikkeld waren in wat we, hoe je het ook bekijkt, wel moeten beschouwen als de religieuze hoofdervaring van het mensdom? Het is niet onwellevend om op te merken – hij zou zelf beamen – dat het niet anders kan of hij is aan alle kanten van de evangelieschrijvers afgeschermd door veel hogere scheidsmuren – zowel spiritueel als intellectueel – dan er ooit kunnen bestaan tussen mijn recensenten en mij.


[C. S. Lewis was een reus onder de literatuurcritici, maar hij nam het christelijke geloof pas op gevorderde leeftijd aan. Hij doceerde zowel in Oxford als in Cambridge, en verwierf een vooraanstaande positie als schrijver van science fiction- en kinderboeken, en bovendien van geleerde werken.

Dit essay is met toestemming overgenomen uit een verzameling lezingen en artikelen van Lewis, uitgegeven door Uitgeverij Kok, Kampen, onder de Nederlandse titel Varensporen en olifanten En andere essays, De vertaler is Arend Smilde.]


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate