4A. Enkele afsluitende opmerkingen

1B. De Joodse geleerde Yehezkel Kaufmann omschrijft de huidige stand van zaken:

Wellhausens argumenten vulden elkaar mooi aan, en boden een ogenschijnlijk stevig fundament voor de bouw van het huis van de Bijbelkritiek. Sindsdien zijn echter zowel het bewijsmateriaal als de argumenten die zijn bouwsel ondersteunden in twijfel getrokken en, in zekere mate, zelfs verworpen. Toch houden Bijbelswetenschappers, hoewel ze erkennen dat de fundamenten weggeërodeerd zijn, desondanks nog steeds vast aan de conclusies. (Kaufmann, RI, 1)


2B. Mendenhall zegt over de blijvende aanvaarding van de religieuze evolutionaire bronnentheorie: “Het is op zijn minst een gerechtvaardigd wantrouwen dat de voornaamste basis van hun positie eerder erudiete eerbied voor het verleden is dan historisch bewijs.” (Mendenhall, BHT, 36)


3B. Bright voegt daaraan toe dat de documentaire hypothese zelfs nu nog “algemene aanvaarding afdwingt, en het uitgangspunt vormt van elke discussie.” (Bright, HI, 62)


4B. De bekende Joodse wetenschapper Cyrus Gordon wijdt uit over de bijna blinde toewijding van vele critici aan de documentaire hypothese: “Wanneer ik het heb over ‘toewijding’ aan JEDP, bedoel ik dat in de sterkste zin van het woord. Ik heb oudtestamentici de integriteit van JEDP horen aanduiden als hun ‘overtuiging’. Ze zijn bereid om veranderingen op het niveau van de details te gedogen. Ze staan je toe om onderverdelingen aan te brengen (D1, D2, D3, enzovoort), of combinaties te maken (JE), of een nieuw document onder een andere hoofdletteraanduiding toe te voegen, maar ze tolereren geen enkele bevraging van de basale JEDP-structuur.” (Gordon, HCFF, 131)

Gordon concludeert: ‘Ik weet niet hoe ik dit soort ‘overtuiging’ kan verklaren op andere gronden dan intellectuele luiheid of onbekwaamheid tot herwaardering.” (Gordon, HCFF, 131)


5B. De Britse geleerde H. H. Rowley verwerpt de theorie niet, simpelweg omdat hij niets beters heeft om er voor in de plaats te stellen: “Dat ze [de Graf-Wellhausentheorie], geheel of gedeeltelijk, breed verworpen wordt is ongetwijfeld waar, maar er is geen gezichtspunt om ervoor in de plaats te stellen dat niet nog breder en nadrukkelijker verworpen zou worden. … De zienswijze van Graf-Wellhausen is slechts een werkhypothese, die we met graagte prijsgeven zodra er een bevredigender zienswijze gevonden is, maar die tot op dat moment niet profijtelijk kan worden losgelaten.” (Rowley, GOT, 46)

Volgens dit gezichtspunt is het beter om een ongeldige theorie aan te houden dan om toe te geven dat je helemaal geen theorie hebt.


6B. Cyrus Gordon geeft een treffend voorbeeld van deze klakkeloze toewijding aan de documentaire hypothese in de slotparagraaf van een artikel waarin hij ongezouten kritiek levert op de hele Wellhausentheorie: “Een Bijbeldocent aan een vooraanstaande universiteit vroeg mij eens om de feiten omtrent JEDP. Ik vertelde hem in grote lijnen wat ik hierboven geschreven heb. Hij antwoordde: ‘Ik ben overtuigd door wat u zegt maar ik blijf toch het oude systeem onderwijzen.’ Toen ik hem vroeg waarom, antwoordde hij: ‘Omdat wat u mij hebt verteld inhoudt dat ik niet alleen moet gaan afleren, maar ook opnieuw moet gaan studeren en nadenken. Het is gemakkelijker om vast te houden aan het aanvaarde systeem van de schriftkritiek waarvoor we standaard tekstboeken hebben.’” (Gordon, HCFF, 134)


7B. Een dergelijke bewering lijkt Mendenhalls achterdocht tegenover vele moderne Bijbelcritici te rechtvaardigen: “Het is veel gemakkelijker om het geaccepteerde patroon van de 19e eeuw te volgen, vooral omdat het een zekere wetenschappelijke respectabiliteit verworven heeft, hoofdzakelijk door gebrek aan beter, en tevreden te zijn met het aanwijzen van een onvolkomenheidje hier en daar om te bewijzen dat men bij de tijd blijft.” (Mendenhall, BHT, 38)


8B. De Joodse (toneel)schrijver Herman Wouk, hoewel feitelijk geen Bijbelgeleerde van beroep, geeft desondanks enkele eerlijke suggesties voor het antwoord op de vraag waarom de theorieën verspreid door Wellhausen en zijn volgelingen nog steeds algemeen aanvaard worden. In zijn boek This Is My God komt Wouk met het volgende treffende oordeel: “Het is moeilijk voor mannen die hun leven gegeven hebben voor een theorie en haar onderwezen hebben aan jongere mannen, om die theorie in duigen te zien vallen.” (Wouk, TMG, 318)

Hieraan voegt Wouk toe:

Wat de geleerden uiteindelijk ontdekten, natuurlijk, was dat literaire analyse geen wetenschappelijke methode is. Literaire stijl is een vloeiend, veranderlijk verschijnsel, op zijn best, een palimpsest of een pot-pourri. De hand van Shakespeare blijkt op de bladzijden van Dickens; Scott schreef hoofdstukken van Mark Twain; Spinoza zit vol met Hobbes en Descartes. Shakespeare was de grootste echoër van allemaal, en de grootste stilist van allemaal. Generaties lang hebben maniakken literaire analyse gebruikt om te bewijzen dat Shakespeare geschreven is door iedereen behalve Shakespeare. Ik geloof dat literaire analyse gebruikt zou kunnen worden om te bewijzen dat ik zowel David Copperfield als A Farewell to Arms geschreven heb. Was ze maar steekhoudend. (Wouk, TMG, 317)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate